‘Broken windows, broken lives’

20 dec. 2014

‘Broken windows, broken lives!’ Dat scandeerden vele tienduizenden die de afgelopen weken massaal de straat op gingen in New York, Washington en andere Amerikaanse steden om te demonstreren tegen excessief en racistisch politiegeweld. Zij leverden daarmee een late, massale kritiek op een invloedrijke publicatie uit 1982 van James Wilson en George Kelling. Deze auteurs braken in het tijdschrift Atlantic Monthly een lans voor veel meer actief politie-optreden in de buurt, niet om meer boeven te vangen maar om rondhangen en slapen op straat, luidruchtig vertier, drinken, dealen, bedelarij, graffiti, illegale verkoop en prostitutie te voorkomen: ‘Broken windows: The police and neigborhood safety.’ Strikte ordehandhaving zou buurtbewoners een gevoel van veiligheid geven. Dit essay werd in korte tijd razend populair in beleidskringen, het werd eindeloos geciteerd, de centrale stelling van de auteurs vond behalve in de VS ook in Europa jarenlang navolging en resulteerde in een nieuwe aanpak van het politiewerk. Ruim dertig jaar later gaan de bewoners de straat op om duidelijk te maken dat ze het optreden van de politie in hun stad beu zijn.
Richt de woede van de demonstranten zich terecht tegen Wilson en Kelling? Was het niet hun pleidooi voor de onverbiddelijke aanpak van ‘disorderly people’ dat uiteindelijk heeft geresulteerd in bruut geweld? Kunnen zij misschien zelfs (mede)verantwoordelijk worden gesteld voor de geweldadige dood van de 18-jarige Michael Brown in Ferguson en van de 43-jarige sigarettenverkoper Eric Garner in New York? Dat laatste gaat in elk geval veel te ver. Wilson en Kelling hebben nooit geweld gepropageerd tegen degenen die zij aanduidden als ‘disorderly people’.

‘Broken windows’ was geen resultaat van langdurige samenwerking, maar een eenmalige co-prodructie van twee auteurs met verschillende agenda’s. Kelling heeft zijn hele academische loopbaan besteed aan scholing van de politie; in die zin was het essay primair zijn verhaal. Wilson was de politieke ideoloog, markant en bij voorkeur provocerend vertolker van de harde, rechtse lijn. Zeven jaar eerder had hij naam gemaakt met het omstreden boek Thinking about crime. Hij betoogde daarin dat criminaliteit niet moest worden verklaard vanuit structurele factoren als armoede en racisme en dat verkeerde opvoeding en foute vrienden weliswaar een rol konden spelen maar te weinig aanknopingspunten boden voor de aanpak van criminaliteit. Het meest geschikte instrument voor de bestrijding van criminaliteit was straf en de beste straf was opsluiten. In een periode waarin zelfs de Nationale Veiligheidsraad onder de Republikeinse president Nixon stelde dat er ‘geen bewijs was dat gevangenisstraf leidt tot een vermindering van de criminaliteit’ en dat deze straf ‘het criminele gedrag zelfs kon verergeren wanneer de crimineel de gevangenis verliet’, pleitte Wilson ervoor om de gevangenis een sleutelrol te geven in het nationale veiligheidsbeleid. Dat zou niet alleen afschrikkend werken; zolang misdadigers vast zaten waren ze ook niet in staat om misdrijven te plegen. Sinds de jaren zeventig is het aantal (met name zwarte) gevangenen in de VS inderdaad spectaculair gestegen.
In 1985 publiceerde Wilson samen met Herrnstein het minstens zo omstreden, meer journalistieke dan wetenschappelijke boek Crime and Human Nature, dat draaide om de stelling dat crimineel gedrag biologisch bepaald zou zijn. Hoewel geen van beiden bioloog beweerden zij in navolging van de negentiende eeuwer Lombroso dat criminelen aan hun uiterlijk zouden kunnen worden herkend. Wilson’s aandeel in het broken windows-verhaal was vooral dat de beleidsaandacht werd verlegd van criminaliteitsbestrijding naar bieden van een gevoel van veiligheid. Hij lijkt de bedenker van de broken windows-hypothese dat rommel en ordeloosheid in een buurt leidt tot ontbreken van controle, wat op zijn beurt weer zou leiden tot hoge criminaliteitscijfers.
Tegenover de confrontatiezoekende politieke ideoloog Wilson was Kelling meer de pragmaticus, die al vanaf midden jaren ’70 had gepleit voor meer zichtbaarheid van de politie op straat, minder in de auto hard door de buurt rijden en meer ‘foot patrol’, directer reageren door de politie op zaken waar buurtbewoners zich aan ergeren en waarvoor ze angstig zijn. In een artikel uit 1988 noemde hij dit ‘de stille revolutie’, een titel die behalve de opkomst van foot patrol ook zijn eigen houding typeert. Hij pleit voor ‘problem-oriented policing’, politiewerk waarin klachten en zorgen van burgers centraal staan en hieraan ook veel aandacht kan worden besteed. In Fixing broken windows. Restoring order and reducing crime in our communities, dat hij jaren later samen met zijn vrouw schreef, stelde hij dat om een buurt die dreigt af te glijden weer uit het dal te trekken samenwerking tussen bewoners, winkeliers, hulpverlening, sociale dienst, politie en gemeente noodzakelijk is. Belangrijk is ook dat Kelling zich expliciet uitsprak tegen het op agressieve wijze benaderen van groepjes rondhangende jongeren, tegen agressief ondervragen en de confrontatie zoeken. Dat was in zijn ogen contraproductief. Deze jongeren zouden daardoor volgens hem slechts radicaliseren en als ze al vijandig stonden tegenover de politie dan zou dat door zo’n benadering alleen maar worden versterkt.
Wilson en Kelling suggereerden wel dat de politie ervan uit moest gaan dat een winkelier bij een conflict met een klant, vooral bij iemand die niet uit de buurt kwam, het gelijk aan zijn zijde had. Hun ‘voorbeeld’-agent handelde sterk naar eigen inzicht en deed af en toe dingen die strikt juridisch gezien aanvechtbaar waren. Dergelijke uitspraken zijn later in verband gebracht met willekeur en racisme en daarmee werd het broken windows-verhaal in een kwaad daglicht gesteld. Dat is niet fair. Ook als men hun visie niet deelt, kan niet worden ontkend dat hun hele essay juist in het teken stond van de training van de politie in ‘managing street life’.
Toch is de leus ‘broken windows, broken lives!’ niet onbegrijpelijk. Wilson heeft zich voortdurend laten kennen als voorstander van een harde aanpak van ‘straattuig’, young predators, etc. (wat overigens niet hetzelfde is als geweld tegen hen propageren). En Kelling heeft zich nooit duidelijk gedistantiëerd van de zero tolerance-aanpak, die zich uitdrukkelijk op hun visie beriep. Hij trad jarenlang op als adviseur van burgemeesters die zero tolerance propageerden, ook toen dit gepaard ging met een aanmerkelijke verharding en allang duidelijk was dat de gevolgen voor de betrokken jongeren en daklozen desastreus waren.

In de Nederlandse criminologie is de ‘broken windows’-hypothese wel opgevat als variant van de sociaal-ecologische benadering. Dat berust op een misverstand omtrent de metafoor van het kapotte raam. De sociaal-ecologische invalshoek in de criminologie was geïnteresseerd in effecten van de fysieke omgeving op crimineel gedrag. Zo ontwikkelde Oscar Newman in Defensible space (1973) een theorie over de inrichting van de gebouwde omgeving en de openbare ruimte, die moest leiden tot terugdringen van criminaliteit – designing out crime. Wilson en Kelling waren echter allerminst geïnteresseerd in de sociale ecologie van de criminaliteit. Hun uitspraak – ‘als een ruit in een gebouw kapot is en niet wordt gerepareerd zullen kort daarna de andere ruiten sneuvelen’ – was uitsluitend metaforisch bedoeld, of in hun eigen woorden: ‘disorderly conduct was an ‘unrepaired window”. Hun essay ging helemaal niet over kapotte ruiten, slecht verlichte openbare ruimtes, dichtgetimmerde panden en verwaarloosde pleinen, noch over stedelijke ontwikkeling, grondprijzen en speculatie. Het ging uitsluitend over de rol van de politie die de buurt in moest gaan en daar streng maar met beleid moest optreden tegen storend en ongepast gedrag. Want, stelden zij, ‘publieke dronkenschap, straatprostitutie en pornografie kunnen een gemeenschap sneller vernietigen dan elke groep beroepsinbrekers.’
Het werk van Wilson zit vol met dergelijke apodictische uitspraken. Opvallend genoeg hebben beide auteurs zelf geen serieuze poging ondernomen om hun zo stellig verkondigde hypothese met bewijs te onderbouwen. Kelling baseert zich in Fixing broken windows op het werk van Skogan (1990). Grondige heranalyses van diens bevindingen en uitgebreide empirische studies van Robert Sampson en Stephen Raudenbusch (1999), Bernard Harcourt (2001) en Raph Taylor (2001) laten echter weinig heel van het verhaal van Wilson en Kelling. Er blijkt geen causaal verband te bestaan tussen overlast en ernstige criminaliteit. Het verband kan net zo goed omgekeerd zijn. Armoede blijkt doorslaggevend. De broken windows-hypothese is allang verworpen. Misschien hebben criminologen nog de meeste reden voor frustratie over het broken windows-verhaal, aangezien de maatschappelijke invloed ervan in geen verhouding staat tot de wetenschappelijke betekenis.