Category Archives: Uncategorized

Gaat het Actieprogramma de zorgelijke situatie in de jeugdzorg verbeteren?

18 april 2018

Deze week verscheen het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd van de ministeries van VWS en J&V. Aanleiding daarvoor was de Evaluatie van de Jeugdwet en het commentaar vanuit verschillende groepen betrokken professionals, ouders en kinderen. Wat zonder meer de prijzen valt aan dit programma is de nuchtere weergave van de tekortkomingen van de jeugdzorg sinds de inwerkingtreding van de Jeugdwet. Het wordt nergens zo genoemd maar dit document illustreert in feite net als de Evaluatie Jeugdwet de overhaaste invoering van de transitie. Waar goed voorbereide en wetenschappelijk begeleide pilots aan deze enorme verandering vooraf hadden moeten gaan, worden die nu met dit programma in gang gezet. Waar een goed algemeen geldend administratief en financieel kader voorafgaand aan deze enorme overheveling ontwikkeld had moeten worden, worden nu stappen in die richting gezet. Waar de professionals die de lokale teams moeten bemensen uiteraard voorafgaand aan de transitie hadden moeten worden opgeleid en bijgeschoold worden nu initiatieven in die inrichting genomen. Waar het juridisch kader van tevoren duidelijk had moeten zijn, worden nu stappen gezet om dat kader alsnog te verhelderen. Prima: beter laat dan nooit.

Daarnaast valt een ontwikkeling op die ik zou willen aanduiden als ‘kleine recentralisatie’: voor dit jaar zijn de contracten met de Kindertelefoon, het AKJ en Sensoor overgenomen door VWS en er is een wetsvoorstel in voorbereiding om de verantwoordelijkheid voor de functie van de hulplijnen (jeugd en volwassenen) en van het vertrouwenswerk jeugd duurzaam bij het Rijk te beleggen.

Er worden verschillende ‘actielijnen’ aangegeven, van betere toegang tot jeugdhulp, meer kinderen zo veel mogelijk thuis laten opgroeien en ontwikkelingskansen voor alle kinderen tot investeren in vakmanschap. Wat bij al die actietaal echter opvalt is het gebrek aan bezinning op de energie, de kosten en de sturing die de beoogde verbeteringen in werkelijkheid vereisen. Eerder deze maand constateerde de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) dat het jeugdstelsel een ‘doorwrocht door professionals gedragen kwaliteitskader’ ontbeert, waardoor een duidelijk, landelijk algemeen geldend kader bij gesprekken over de inkoop van jeugdhulp en de contracttering van jeugdhulpaanbieders ontbreekt. In het Actieprogramma wordt met geen woord gesproken over betere landelijke sturing.

De TAJ stelt dat alle betrokken partijen hun verwachtingen moeten bijstellen en dat de ambities van de partijen over de opbrengst te hoog zijn. In het Actieprogramma is helaas weinig te merken van deze zorgen, zoals geuit door de instantie die de afgelopen drie jaar toezicht heeft gehouden op de transitie en die ook met name met die financiële problemen is geconfronteerd. Het actieprogramma is een en al onverminderde ambitie. Dat is mooi, maar ook zorgelijk, want opnieuw wordt een enorme last gelegd op de (vaak al overbelaste) schouders van de uitvoerders.

Zo wordt wel de wisseling van hulpverleners als knelpunt genoemd, maar blijft onvermeld dat opheffen van dit knelpunt behalve scholing ook aanzienlijke financiële middelen vereist, namelijk om de meestal slecht betaalde hulpverleners vast te houden en een goed toekomstperspectief te bieden. Zo wordt gelukkig aangegeven dat gebruik van de isolatiecel zo snel mogelijk moet worden teruggebracht, maar wordt er niet bij vermeld dat dat voornemen een aanzienlijke hoeveelheid extra middelen vereist: een basisvereiste om in noodgeval niet naar de isoleer te grijpen is immers meer personeel op de groep. Zo blijft helaas onvermeld dat bijna twee derde van de 100 instellingen voor specialistische jeugdhulp de afgelopen drie jaar extra geld nodig had om overeind te kunnen blijven. Marjanne Sint, de voorzitter van de TAJ waarschuwt dat ‘het risico bestaat dat het in 2019 erger wordt’ en zij verwacht dat het nog 5 tot 10 jaar duurt voordat de hulpverlening op orde is. Ik mis dit besef van de zorgelijke situatie van de jeugdzorg in het Actieprogramma. Ik heb het angstige gevoel dat de verantwoordelijke bewindslieden en gemeentebestuurders denken dat ‘als iedereen nu een tandje bij zet …’

Meer oog voor goede opvang asielzoekerskind

16 april 2018

Een kleine anderhalf jaar geleden vroeg orthopedagoog en jurist Carla van Os in de vijfde Mulock Houwer-lezing aandacht voor de schadelijke effecten van de wijze waarop kinderen in de Nederlandse asielzoekerscentra worden opgevangen. Ze wees met name op twee zeer negatieve aspecten: het regime in de grootschalige, meestal geïsoleerd gelegen centra, waar een fundamenteel gebrek aan privacy heerst en elementaire mogelijkheden voor eigen regie van het gezin ontbreken, van zelf koken tot bedtijden; en het veelvuldig, soms maandelijks verhuizen, terwijl het hier in veel gevallen gaat om volwassenen en kinderen die kampen met trauma’s, angst en depressie, waarbij rust en stabiliteit voor hen allereerste vereisten zijn om de eigen veerkracht van het gezin en herstel van een enigszins normale opvoeding een kans te bieden.

Daarom pleitte Van Os voor kleinschalige opvanglocaties, waar de IND-ambtenaren gezinnen opzoeken in plaats van andersom, waar de kinderen en ouders basiskennis van het Nederlands verwerven en waar het gezin wordt voorbereid op een plaats in de Nederlandse maatschappij. Voor zover mogelijk zouden dergelijke kleinschalige opvanglocaties dicht bij de gemeenten moeten komen waar ze naar verwachting uiteindelijk gehuisvest worden. Zeer verheugend was dan ook het feit dat begin vorig jaar (14 februari 2017) de Tweede Kamer een motie van de ChristenUnie om te stoppen met deze verhuizingen aannam. Minstens zo positief was het feit dat vervolgens in het regeerakkoord kleinschalige opvang werd aangekondigd.

Helaas dient zich echter op dit moment een nieuwe, acute bedreiging aan. Dat betreft de aankondiging om op korte termijn 11 asielcentra te sluiten. Dat betekent namelijk dat vele tientallen gezinnen en honderden kinderen die op dit moment op deze locaties verblijven, opnieuw op korte termijn moeten verhuizen. Ze raken hun nieuwe vriendjes kwijt; ze moeten weer afscheid nemen van de volwassenen waar ze net mee vertrouwd zijn geraakt – de leerkracht, de dokter, de vrijwilligers. Ze moeten naar een nieuwe school. Daarom pleit de Werkgroep kind in AZC ervoor om deze kinderen voorlopig op hun nu enigszins vertrouwde plek te laten totdat een definitief besluit is genomen over hun aanvraag. Dan weten ze of en waar ze in Nederland mogen blijven en kunnen ze een nieuw leven opbouwen. Die procedure duurt meestal niet langer dan een jaar.

Tot nu toe werd steeds als reden voor de grootschaligheid en voor de vele verhuizingen gegeven dat het nu eenmaal niet anders kon vanwege de grote toestroom van asielzoekers. Nu wordt als reden voor de snelle sluiting juist de afname van het aantal asielzoekers gegeven. Het lijkt niet teveel gevraagd om de gezinnen in de 11 AZC’s daar nog te laten wonen totdat er duidelijkheid is over hun al dan niet definitieve verblijf in Nederland. Nu de druk op de opvangmogelijkheden en de kosten vanwege de aantallen sterk zijn afgenomen en de politiek de schadelijke effecten van het gesleep met kinderen heeft erkend, lijkt het logisch om ook in deze fase te zoeken naar een zorgvuldige omgang met de belangen en de toekomst van de vluchtelingenkinderen.

Ongefundeerde verklaringen, ongepaste generalisaties

15 april 2018

Het is weinig verbazingwekkend dat het steeds verder escalerend geweld binnen de Amsterdamse drugsmaffia en de kennelijke hoofdrol van Marokkaanse criminelen daarbij aanleiding geeft tot wilde bespiegelingen. De Kamer debatteerde er vorige week over en in de media worden allerlei theorieen opgeworpen en ‘deskundigen’ aan het woord gelaten. Meestal zijn de kwaliteitskranten terughoudend met snelle duiding, maar een enkele keer doen ook zij een ondoordachte duit in het zakje. Zo had Folkert Jensma, oud hoofdredacteur van de NRC die tegenwoordig een juridische column voor deze krant verzorgt met vaak behartenswaardige bijdragen over ontwikkelingen op strafrechtelijk gebied, een recent boek van Hans Werdmölder ontdekt. Diens inzichten leken hem uiterst relevant om licht te werpen op de ‘mocro-maffia’. Werdmölder volgde ruim dertig jaar geleden veertig jongens, deels met Marokkaanse, deels met autochtoon Nederlandse achtergrond, die veel op straat hingen en af en toe een delict pleegden. Enkele jaren geleden achtte hij de tijd rijp om zijn ideeen nog eens in een nieuw jasje te steken. Jensma blijkt zo onder bekoring geraakt van Werdmölders inzichten dat hij zich laat verleiden tot een serie bedenkelijke uitspraken.

Allereerst was het misschien slimmer geweest als hij zich iets meer in het onderwerp had verdiept. Dan had hij gezien dat Werdmölders verhaal allang sterk is gerelativeerd door studies als Ieder voor zich van Frank van Gemert en Kapot moeilijk van Jan Dirk de Jong. Maar Jensma is verguld met zijn vondst, die hij waardeert als “zeer leesbaar en deprimerend verslag van de achteraf maffe manier waarop in de jaren 80 en 90 de kansloze jeugd werd opgevangen.” Zo is meteen de toon gezet: “Vertroeteld met subsidies, uitkeringen en welzijnswerkers, in een cultuur van gedogen en het principieel positief benaderen van de ‘cliënt’, liefst als ‘slachtoffer’.” Verheugd en zonder reserve meldt Jensma vervolgens dat Werdmölder “grossiert in ontnuchterende observaties” en aangenaam cynisch terugkijkt op het “zoetsappige multiculturalisme” van de jaren 80 en 90. Hiermee is een belangrijk deel van de verklaring voor de ontsporing van deze jongeren – let wel: Marokkanen en autochtone Nederlanders – al meteen gegeven: “de ‘justitiële hulpverlening’ functioneerde onvoldoende.”

Nog afgezien van het feit dat deze verklaring allerminst op onderzoek berust, ontgaat het Jensma kennelijk dat we bij de huidige geweldadige acties van de ‘mocro-maffia’ twee generaties later met een heel ander leeftijdscohort te maken hebben. De jongens die begin jaren tachtig af en toe over de schreef gingen zijn inmiddels dik in de vijftig en kijken met verbijstering naar de geweldadigheden waaraan een kleine kring van keiharde criminelen zich tegenwoordig schuldig maakt. Misschien is het dan ook verstandig om als het over het huidige extreme geweld binnen de Amsterdamse drugsmaffia gaat niet zo maar met uitspraken te strooien als “ze komen uit een gemeenschap die als ‘los zand’ aan elkaar hangt. Met weinig autonoom corrigerend vermogen, maar onderling wel veel roddel en jaloezie.”

Voor degelijke journalistiek kan het ook geen kwaad even een blik op de cijfers te werpen. De laatste tien jaar is er namelijk over de hele linie sprake van een spectaculaire afname van de jeugdcriminaliteit, ook onder de jeugd met een Nederlands-Marokkaanse achtergrond. In dat licht gaat het nogal ver om te beweren dat 2/3 van alle Nederlandse Marokkanen tussen de 12 en 24 tegenwoordig wel eens is aangehouden door de politie “met als specialisatie: diefstallen, overvallen, inbraken en straatroof.” En er dan zulke stoere uitspraken op te laten volgen: “Ze (dus diezelfde 2/3 van de Marokkaanse jeugd) vormen inmiddels de arbeidsreserve van de kapitaalkrachtige grote criminaliteit. Daar liggen de kansen op welvaart en succes voor het oprapen.”

Nog verder gaat het om vervolgens louter en alleen onder verwijzing naar de oude en tendentieuze studie van Werdmölder over de meerderheid van de huidige generatie ouders met Marokkaanse wortels te beweren dat ze “incompetent” zijn en hun “opvoeding hard en zakelijk” is, dat de vaders “traditioneel en autoritair” zijn en de ouders hun kinderen opvoeden “met minachting voor ieder buiten de eigen groep”. En al deze generalisaties moeten dan dienen als verklaring van het actuele, extreme geweld van een klein en specifiek crimineel circuit.

Op zo’n manier zou een verklaring voor het dodelijk geweld waarvan Willem Holleeder wordt verdacht simpelweg gevonden kunnen worden in het feit dat hij opgroeide in de Jordaan. En de intimidatie en het geweld waarvan leden van motorclub Satadurah worden beschuldigd en elders voor zijn veroordeeld zou dan al even gemakkelijk kunnen worden verklaard door te wijzen op zogenaamd ‘typische eigenschappen’ van de Molukse cultuur. Wetenschappelijk gezien flauwekul, maatschappelijk gezien onaanvaardbaar kwetsend en discriminerend.

De zorgelijke situatie van de jeugdzorg

12 april 2018

Bijna twee derde van de honderd instellingen voor specialistische jeugdhulp heeft de afgelopen drie jaar aan de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) extra geld gevraagd om overeind te kunnen blijven. In de NRC noemt Marjanne Sint, voorzitter van de TAJ, de situatie zorgelijk. Eind dit jaar eindigt de subsidieregeling hiervoor. Zoals bekend zijn de meeste instellingen in de knel geraakt doordat het Rijk per 2015 de jeugdzorg overhevelde naar de gemeenten en daarbij een drastische bezuiniging doorvoerde. De toezichthouder op de overgang, de Transitie Autoriteit Jeugd, kreeg 200 miljoen van het Rijk om de financiële problemen op te lossen. Veertig aanbieders van jeugdhulp hebben inmiddels extra geld gekregen. Twintig instellingen krijgen voor de zomer te horen of zij in aanmerking komen. Continue reading

Heeft de wetenschap dan toch een (heel klein) beetje invloed op de politiek?

29 maart 2018

Vanaf 1 mei gaat in Overijssel een experiment van start dat ouders verplicht om bij scheiding duidelijke afspraken met hun kinderen te maken. Een aardig voorstel uit de koker van de onlangs afgesloten Divorce Challenge, dat niks kost en wellicht toch iets bijdraagt aan het inperken van mogelijk negatieve gevolgen van de scheiding voor de kinderen en misschien zelfs een beetje meehelpt aan het voorkomen van de vechtscheiding. Ik heb eerder gewezen op reeds positief geëvolueerde aanpakken van de vechtscheiding van de kant van de rechterlijke macht en de hulpverlening en ik constateerde daarbij dat de landelijke overheid nu aan zet is om voldoende middelen beschikbaar te stellen om deze initiatieven landelijk te kunnen realiseren. Maar dat betekent natuurlijk niet dat dergelijke nieuwe, goedkope initiatieven niet eveneens welkom zijn. Als wetenschapper vind ik het echter vooral aantrekkelijk dat het hier niet gaat om het zonder omhaal invoeren en uitrollen van een aardig idee maar om een proef van een jaar, waarna hopelijk een degelijke evaluatie volgt aan de hand waarvan kan worden besloten tot mogelijke bijstelling en eventuele landelijke invoering.

Zo’n geduldige beleidsontwikkeling zien we immers lang niet altijd. Denk aan de gigantische en tegelijkertijd evident overhaast doorgevoerde beleidsomwentelingen onder het vorige kabinet – de centralisatie van de politie en de decentralisatie van de Jeugdzorg, de hulp aan thuiswonende hulpbehoevenden (WMO) en de Wet langdurige zorg voor de meest kwetsbaren. Op veel van deze terreinen plukken de betrokkenen nu de vaak wrange vruchten van de haast (en de drastische bezuinigingen die hier vaak mee gepaard gingen terwijl de noodzaak om te bezuinigen vaak tegelijkertijd als reden voor deze haast werd opgevoerd). Als er indertijd geduldiger beleid was ontwikkeld met ruimte voor experiment en onderzoek, dan waren ongetwijfeld minder professionals op het gebied van opvoeding, ontwikkeling en behandeling dit gebied ontvlucht en minder instellingen omgevallen. Dan waren we vermoedelijk alleen al wat betreft de jeugdzorg en zeker wat betreft de overheveling van de jeugd-ggz naar de gemeenten niet in de moedeloos stemmende wachtlijst-problematiek terecht gekomen, waardoor nu zelfs de kinderen en ouders die acuut professionele hulp nodig hebben in het gedrang komen. Als tijdens de unieke hoorzitting in de Eerste Kamer voorafgaande aan de transitie van de jeugdzorg beter was geluisterd naar de kritiek van deskundigen en de breed gedeelde roep om uitstel vanuit het veld …

In de NRC van 27 maart wordt onder de treffende titel ‘Hulp nieuwe stijl: samen tegen muren oplopen’ beschreven hoe de gedachte van ‘alle zorg in één hand, dicht bij de burger’ vastloopt op de bestaande gemeentelijke bureaucratie. Een gezin dreigt door huurachterstand op straat te belanden. De jeugdconsulent van het wijkteam regelde vlug crisisplekken voor de kinderen, zodat die in elk geval een dak boven hun hoofd zouden hebben. Toen hem werd gevraagd of het niet beter was de schuld af te lossen, luidde het antwoord: ‘nee, dat mag niet, wij voeren de Jeugdwet uit.’ Inmiddels zijn diverse gemeenten experimenten begonnen om deze voortdurend optredende impasses te voorkomen. Onder de wat moeizame noemer ‘City deal inclusieve stad‘ zijn ze met pilots gestart, die eigenlijk aan de hele decentralisatie vooraf hadden behoren te gaan. Daaruit komen nu voorstellen als het toekennen van een eigen budget aan de wijkteams, een overkoepelende commissie ‘sociaal domein’ in de gemeenteraad en één wethouder voor jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen.

Dat het nog slechter kan gaan met de invloed van de wetenschap op de politiek hebben we recent gezien met de discussie over de sleepwet. Terwijl experts waarschuwen voor onvoldoende doordachte, overhaaste wetgeving en we bij terroristische aanslagen in West Europa voortdurend tot onze verbazing te horen krijgen dat de daders allang in beeld waren, schuiven de voorstanders van de sleepwet deze bezwaren zonder reserve terzijde en beweren ze met een stalen gezicht dat meer data en meer data-uitwisseling zonder meer nodig zijn voor onze veiligheid. Net zoals meer data omtrent kinderen en gezinnen zouden bijdragen aan het voorkomen van gezinsdrama’s, terwijl onderzoek naar aanleiding van Savanna en het Maasmeisje evenals internationale studies keer op keer lieten zien dat ook hier de problematische gezinssituaties juist allang in beeld waren.

Je hoeft ook geen voorstander van het referendum te zijn om te struikelen over de argumentatieve nonchalance waarmee de verdediging van de intrekking van de Wet raadgevend referendum door het kabinet wordt verdedigd. Volgens minister Kajsa Ollongren zou het zo verwarrend zijn voor de kiezer dat het referendum niet bindend is, dat het beter (zonder volksraadpleging) kan worden afgeschaft en later (?) een betere versie kan worden ingevoerd. In de Volkskrant van 28 maart doet Sheila Sitalsing hilarisch verslag van de wijze waarop diverse experts deze redenering tijdens een bijeenkomst in de Eerste Kamer van de hand wijzen.

Toch is er ook nog wel enige hoop. Misschien is het immers nog niet helemaal uitgesloten dat de Eerste Kamer de tegenargumenten tegen het met ziedende vaart afschaffen van de referendumwet serieus neemt. En wellicht is er ook nog een klein kansje dat het kabinet gelet op de tegenstemmen en de deskundigenadviezen tegen de overhaaste invoering van de Wiv toch nog tot belangrijke verbeteringen komt. Een inspirerend voorbeeld van de wijze waarop wetenschappelijke kennis enige betekenis kan hebben op de politieke discussie biedt de analyse van de lobby voor de donorwet in de NRC van 26 maart. Al heeft de inzet van betrokkenen, met name van de 23-jarige patiënte Shirley Man, hierbij een zeer belangrijke, misschien wel doorslaggevende rol gespeeld, ook het wetenschappelijk rapport Het orgaandonorregistratiesysteem in Europese landen blijkt hierin – opnieuw in de Eerste Kamer – wel degelijk cruciaal te zijn geweest. En zo is het misschien ook nog niet helemaal uitgesloten dat andere, reeds ‘bewezen’ initiatieven om de vechtscheiding aan te pakken, de komende tijd op voorstel van André Rouvoet, die het actieprogramma tegen de vechtscheiding vorige maand aan het kabinet presenteerde, door de politiek worden gefaciliteerd, zelfs als die wat kosten.

 

Een kind in problemen zet je niet in de isoleer

18 maart 2018

Er blijken de laatste jaren steeds meer jongeren in een accomodatie voor gesloten jeugdhulp te verblijven. Deze ontwikkeling verdraagt zich slecht met het uitgangspunt van de Jeugdwet dat minder zware hulp en sneller hulp thuis of zo dicht mogelijk bij huis dient te worden geboden. Gesloten jeugdhulp dient alleen in uitzonderingsgevallen, als het helemaal niet anders kan, te worden toegepast, omdat we weten dat deze situatie voor de kinderen zelden winst oplevert. In het laatste nummer van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht wijst Mariëlle Bruning, hoogleraar Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden, op een aantal verontrustende verschijnselen waarmee deze op zich al onwenselijke ontwikkeling ook nog eens gepaard blijkt te gaan. Zo blijkt dat steeds vaker een machtiging voor deze vergaande ingreep wordt afgegeven zonder dat er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dus zonder duidelijk afgebakend juridisch kader en heldere rechtvaardiging. Dat geldt inmiddels voor een kwart van de gesloten plaatsingen. Continue reading

 Meer ervaringen uit de praktijk van de jeugdzorg

9 maart 2018

Na eerdere korte impressies van ervaringen met de jeugdzorg sinds 2015 nu opnieuw enkele korte, maar krachtige reacties naar aanleiding van de eerste evaluatie van de Jeugdwet. Concludeerde orthopedagoge Anneke Vinke ‘we zijn er nog lang niet met die transitie’, haar collega, pedagoog dr. Tonny Weterings, specialist op het gebied van pleegzorg, voegt eraan toe ‘als we er zo al komen’. Zij signaleert een kaalslag onder gekwalificeerde jeugdhulpverleners. Zij ziet dat besluitvorming inzake inkoop van jeugdzorg nog steeds gebeurt door niet voldoende ter zake deskundige ambtenaren. Daarbij merkt zij op dat jeugdzorg in weinig gemeenten werkelijk prioriteit heeft: ‘Juist gemeenten en de landelijke overheid zouden zich moeten realiseren dat de kinderen de volwassenen worden van onze toekomstige samenleving.’ Continue reading

Vijf voogden in drie maanden

4 maart 2018

Bij mijn afscheid als hoogleraar Jeugdbescherming anderhalf jaar geleden sprak ik onder meer mijn zorgen uit over de gezinsvoogdij. Ik constateerde dat we op het punt van de kwaliteit en effectiviteit van de gezinsvoogdij nog steeds jammerlijk tekort schieten. Ik gaf twee pijnlijke voorbeelden. Allereerst wees ik op het altijd weer frustrerende fenomeen dat op de zitting bij de kinderrechter een ‘zittingsvertegenwoordiger’ – iemand die ouders en kind nooit eerder hebben gezien – de rechter adviseert over te nemen maatregelen, waardoor een zinvolle gedachtenwisseling met alle betrokkenen amper mogelijk is. Ouders en kind voelen zich dan bij voorbaat nauwelijks serieus genomen voelen en hebben het gevoel in een toneelstuk te zijn beland. En ik gaf het schrijnende voorbeeld van een vader en zoontje die in 13 jaar bemoeienis met 26 gezinsvoogden waren geconfronteerd. Continue reading

Rotterdamse kinderombudsman presenteert kritisch rapport over drang 2

28 februari 2018

Enkele voorbeelden van zware ingrepen die in de loop van het onderzoek van de Rotterdamse kinderombudsman werden gesignaleerd. Het meest frequent in dit verband zijn de ‘vrijwillige’ uithuisplaatsingen. In de eerste casus betrof het een uit het buitenland afkomstige moeder, die door haar toenmalige man gedwongen aan het werk was gezet in de horeca. Hun kind is van meet af aan door de vader tegen de zin van de moeder in een pleeggezin geplaatst. Deze situatie, die inmiddels al jarenlang bestaat, is door het wijkteam geformaliseerd in een overeenkomst. De moeder is de Nederlandse taal niet machtig en heeft de overeenkomst ‘blind’ getekend. Om haar kind terug te krijgen, heeft de moeder inmiddels een advocaat ingeschakeld. Terecht stelt deze advocaat: ‘Zo’n uithuisplaatsing kun je helemaal niet ondershands regelen. Daar is het helemaal fout gegaan. Het wijkteam maar ook het JB-plein ontbeert ten enenmale voldoende juridische kennis.’ Continue reading

Rotterdamse kinderombudsman presenteert kritisch rapport over drang

27 februari 2018

De eerste evaluatie van de Jeugdwet eerder deze maand maakte onder meer duidelijk dat de rechtsbescherming van kinderen en ouders in de jeugdzorg nog veel te wensen over laat. Een aantal van de tekortkomingen op dit punt worden helder gedemonstreerd in het rapport van de kinderombudsman Rotterdam, dat deze week is verschenen – Is er nog een plekje vrij? Centraal in dit rapport staat de vraag naar de toepassing van drang in de jeugdhulpverlening in Rotterdam, de stad die zich erop laat voorstaan doortastend aan de slag te zijn gegaan in het kader van de Jeugdwet. Het rapport maakt duidelijk dat daarbij grenzen zijn overschreden en belangrijke voorwaarden verontachtzaamd. Continue reading