Gedwongen keizersnee: prenatale kinderbescherming op foute grond 14 januari 2016

‘Het kan toch niet zo zijn dat een voldragen foetus helemaal niets heeft in te brengen.’ Er ontbrak nog ‘in dit land’, maar verder is dit een typisch gevalletje van populistische retoriek. Aldus beargumenteren twee artsen en twee rechters in Medisch Contact van 13 januari (MC 13-01-16) dat een keizersnee tegen de uitdrukkelijke wil van de moeder mogelijk moet worden gemaakt.

Zoals ik in een eerdere blog (20-08-15) al constateerde is prenatale kinderbescherming ineens hot in kleine kring. En deze kleine kring weet daar ook relatief veel media-aandacht voor te genereren. (zie o.a. De Volkskrant en De Telegraaf van 13 januari.)  Nu zou men mogen verwachten dat een dergelijk uiterst discutabel voorstel op zo’n precair terrein met stevige argumenten wordt onderbouwd. Maar wie goede argumenten verwacht komt bedrogen uit.

De kwestie wordt eenvoudigweg voorgesteld als iets wat slimmer geregeld moet worden: er wordt geadviseerd dat artsen, die met een zwangere vrouw worden geconfronteerd die een keizersnee weigert terwijl hen dat noodzakelijk lijkt, voortaan de rechtbank bellen. Het viertal, dat zich ‘Beraadsgroep rechtspositie van het kind voor de geboorte’ noemt, meent dat daarmee op aanvaardbare wijze de beslissing uit handen wordt genomen van de betrokken artsen. De groep, die al lang op dit plan broedt, acht het niet nodig om verder in te gaan op praktisch medische problemen betreffende de uitvoering, noch op elementaire juridische vragen, noch op de ethische kant van dit voorstel. Ook in eerdere publicaties was de lijn ‘niet moeilijk doen, gewoon regelen’. (Zie onder andere het Nederlands Juristenblad (2015, afl.25 en afl. 40.)

In weerwil van deze opgewekt ‘praktische’ insteek is het echter evident dat er fundamentele problemen aan dit voorstel kleven en dat de suggestie dat artsen bij zo’n pijnlijke kwestie ‘even de voorzieningenrechter kunnen bellen’ misleidend en zelfs ongepast is. Het is sowieso merkwaardig dat de groep zichzelf weliswaar trots presenteert als voorvechters van de ‘emancipatie van de ongeboren vrucht’, maar wel pleit voor de juridische sluiproute via de voorzieningenrechter. Letterlijk stelt zij voortdurend dat wetswijziging niet nodig is, omdat het in haar ogen binnen het huidige wettelijk kader geregeld kan worden. Zij verplaatst de pijnlijke beslissing met andere woorden niet alleen van het bordje van de arts naar het bordje van de rechter. Dubieuzer is dat zij op de bres springt voor de rechten van de ongeboren vrucht, maar daarbij pleit voor het omzeilen van de geëigende weg, die in een democratische samenleving uiteraard loopt via de maatschappelijke en parlementaire discussie.

Over diverse aspecten is nog weinig of niets bekend. Zo is het in feite nog maar de vraag of een keizersnee altijd onvermijdelijk is. Artsen zijn het daarover vaak onderling oneens. Uit buitenlands onderzoek blijkt bovendien dat ondanks het oordeel van de arts dat een keizersnee noodzakelijk zou zijn, de vrouw die het daar niet mee eens was in de meeste gevallen spontaan beviel van een gezonde baby. Cijfers ontbreken. Het gaat vermoedelijk maar om een heel klein aantal gevallen per jaar.

Maar ook in die paar gevallen laat dit vraagstuk zich niet even zonder wetswijziging regelen. Hoe dan ook vereist de mogelijkheid om tegen de wil van de vrouw tot een dergelijke ingreep over te gaan aanpassing van tal van wetten. Het recht om gevrijwaard te blijven van inbreuken op de lichamelijke integriteit is vastgelegd in onze grondwet (artikel 11). Medische ingrepen zijn in ons land alleen mogelijk met de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt (zogeheten informed consent (artikel 7: 450 BW). Gedwongen toedienen van medicatie of anderszins gebruik van dwang binnen de arts-patient relatie is aan strenge regels gebonden, zowel in Nederland als vanwege Europese regelgeving.

Goed, als er dan weinig of geen argumenten wordt gepresenteerd zou toch op zijn minst verwacht mogen worden, dat wat naar voren wordt gebracht ook klopt. Maar op dit punt blijkt de stellingname van de Beraadsgroep ronduit misleidend. Er wordt gesteld dat zich in Engeland recent een vergelijkbare situatie heeft voorgedaan. Echter, zoals ik vorig jaar al aangaf, wijzen de twee Engelse voorbeelden waar zij op doelen in volstrekt andere richting. In beide gevallen blijkt het namelijk te gaan om vrouwen die ernstig in de war en wilsonbekwaam waren. De rechter vermeldt dat hij tot zijn beslissing is gekomen in nauw overleg met de behandelend psychiater, de advocaat en naaste familie van de zwangere vrouw (04-12-13 & 28-01-14). Het gaat met andere woorden om die gevallen waarvoor in ons land een uitzondering is gemaakt in de Wet BOPZ. Precies omgekeerd aan de stellingname van de Beraadsgroep vermeldt de Engelse rechter tenslotte uitdrukkelijk dat zijn beslissing niet werd gemotiveerd door het belang van de ongeboren vrucht, maar door het belang van de moeder.

Tot slot: de artsenfederatie KNMG is tegen, evenals de landelijke vereniging van gynaecologen, NVOG, met als belangrijkste argument dat daarmee de vertrouwensrelatie met de patiënt wordt geschaad en er kans bestaat dat de patiënt zich aan de verloskundige zorg zal onttrekken. Of zoals een gynaecoloog het in reactie op het stuk in Medisch Contact zei: ‘Het kan niet, het mag niet en het is bij goede communicatieve vaardigheden ook zelden of nooit nodig.’