Herziening partneralimentatie verhoogt risico op armoede kinderen 27 mei 2016

Eerder deze maand berichtte het CBS dat 400.000 kinderen in ons land in armoede leven, dat is gemiddeld 1 op de 8 kinderen. In de grote steden ligt dat aantal nog hoger; daar varieert het van 1 op de 5 tot 1 op de 4 kinderen. Dat betekent niet dat deze kinderen niks te eten krijgen, maar vaak wel dat ze niet echt gezond en regelmatig eten. Het meest kenmerkend is echter, zoals het CBS opmerkt, dat ze niet of nauwelijks kunnen participeren in veel maatschappelijke activiteiten. Vanuit dit perspectief is de term ‘participatiemaatschappij’ volstrekt ironisch, een vlaggetje op een modderschuit, twee duimen omhoog vanuit een vluchtelingentent.

Armoede is geen natuurverschijnsel. En het is ook niet alleen maar het gevolg van de ontwikkeling van de economie. De politiek speelt hierbij uiteraard een minstens zo belangrijke rol. Een van de vele terreinen waarop de politiek invloed kan hebben op de mate waarin kinderen risico lopen op armoede betreft het familierecht. Zo ligt er momenteel een Wetsvoorstel herziening partneralimentatie, ingediend door VVD, PvdA en D66, dat voor een belangrijke verslechtering voor kinderen van gescheiden ouders kan zorgen. Daarin wordt zonder verdere argumentatie voorgesteld om de alimentatieduur aanzienlijk te verkorten. Het nieuwe uitgangspunt is, dat de alimentatie wordt gebaseerd op de helft van de huwelijksduur met een maximumtermijn van vijf jaar, in plaats van de huidige maximumduur van 12 jaar.

De gedachte hierachter is echter in meerdere opzichten weinig realistisch. Allereerst omdat er wordt uitgegaan van partijen die allebei de mogelijke (juridische) gevolgen van hun handelen overzien, dat wil zeggen met name die gevolgen die haaks staan op hun verbondenheid. De praktijk is dat de meeste mensen op het moment van trouwen geen afspraken maken met het idee dat het huwelijk wel eens kan mislukken. De ‘in redelijkheid en billijkheid ingebedde partijautonomie’, waarvan de indieners spreken, is grotendeels fictie.

Maar ook het uitgangspunt van de huwelijksduur zelf is weinig realistisch. De overgrote meerderheid van de stellen in Nederland woont immers eerst enige jaren en soms jarenlang ongehuwd samen. Nog belangrijker is dat bijna de helft van alle kinderen inmiddels wordt geboren bij stellen die ongehuwd samenwonen. Dat impliceert dat in die fase, (ruim) voor het huwelijk, al wezenlijke beslissingen worden genomen wat betreft de verdeling van werk buitenshuis en arbeid en zorg binnenshuis, niet vanuit het perspectief van scheiding maar juist vanuit het perspectief van gezamenlijkheid.

En zoals bekend zijn die taken in Nederland ongelijk verdeeld. Het anderhalfverdienersmodel komt hier bij stellen met minderjarige kinderen verreweg het meeste voor: voltijdbaan voor de man; deeltijdbaan voor de vrouw. Daarbij komt ook nog eens een aanmerkelijk inkomensverschil: mannen hebben tijdens het huwelijk gemiddeld tweeënhalf keer meer inkomen dan vrouwen en na scheiding gemiddeld nog altijd anderhalf maal zoveel. De radicale bijstelling van de partneralimentatie is dan ook behalve vreemd ook bepaald niet sociaal. Er zijn niet alleen ongeveer viermaal zoveel moedergezinnen als vadergezinnen na scheiding. De moedergezinnen hebben over het algemeen ook aanmerkelijk minder financiële ruimte. Een kwart van de moedergezinnen met kinderen is arm.

Dit is een typisch voorbeeld van wat Wendy Schrama vorig jaar in haar Groningse oratie heeft aangeduid als ‘gelijk denken van wat verschillend is’. Zonder onderbouwing vooronderstelt dit wetsvoorstel dat mannen en vrouwen zodanig gelijker zijn geworden, dat alimentatie veel minder en minder lang nodig is. Terecht stelt zij dan ook in een recent artikel (FJR 2016/22) dat met dit plan de risico’s van gezamenlijke, maatschappelijk ingekleurde keuzes te eenzijdig bij een van de twee groepen worden gelegd. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar ook onwenselijk mede met het oog op armoede en de positie van kinderen naar scheiding.