Jeugdbescherming en gemeenten. Ervaringen uit de praktijk 25 maart 2016

In deze blog laat ik een ‘gastblogger’ aan het woord, dat wil zeggen dat ik grotendeels citeer uit een artikel dat net is verschenen in het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht (3) maart 2016. De auteur, Annette van Tol, is werkzaam als jeugdbeschermer bij  Jeugdbescherming West Haaglanden. Een waarschuwing vooraf: dit verhaal vergt enige elementaire kennis van het familie- en jeugdrecht.

Eerst een casus:

“Voor een voogdijpupil moet ik de pleeggezinplaatsing verlengen. Ik bel met iemand van het sociaal team. De ambtenaar stelt mij vele vragen. Ik krijg het gevoel dat ik een proeve van bekwaamheid moet afleggen. Gaandeweg het gesprek verandert het gevoel van ‘ik moet bewijzen dat ik bevoegd en bekwaam ben om te bepalen dat mijn pupil in dat pleeggezin moet wonen’ naar ‘die meneer heeft geen idee van jeugdzorg, wellicht werkte hij eerst bij de afdeling groenvoorziening en had hij zin in een nieuwe uitdaging bij dezelfde werkgever.’ Na heel veel bellen en mailen en wachten, krijg ik het verlossende antwoord: de plaatsing wordt gefinancierd. Maar voor het verlossende woord eruit is, krijg ik nog een vraag toegeworpen: waarom mijn voogdijpupil niet in een adoptiegezin woont…”

Uit haar verhaal komt onder andere naar voren dat het een illusie is dat jeugdbeschermers alleen binnen hun eigen gemeente of werkgebied werkzaam zouden zijn. De kinderen en ouders waar zij zich mee bezig houden wonen en verhuizen verspreid over het hele land. Jeugdbeschermers hebben dus sinds de transitie met vele gemeenten en met vele verschillende ambtenaren en financiële regelingen te maken. Na nog zes van dergelijke bizarre voorbeelden in steeds een andere gemeente volgt haar conclusie:

“Vanaf 1 januari zou het aanvragen van jeugdhulp veel eenvoudiger worden. De jeugdbeschermer en jeugdreclasseringswerker zijn sindsdien in een beroepsregister geregistreerde medewerkers. Zij werken voor een gecertificeerde instelling voor gedwongen jeugdzorg en worden geacht te werken volgens een professioneel statuut en met een tuchtrecht. Oftewel: die mensen moeten in staat worden geacht om zelfstandig te kunnen bepalen welke jeugdhulp nodig is voor de onder hun toezicht en voogdij staande kinderen. (…)”

“(Echter) veel gemeenten hanteren toch nog een dikke papierwinkel om te kunnen bepalen of men gaat betalen voor de zorg. (…) De bepaler is een gemeenteambtenaar die het kind niet kent. Tot mijn spijt is bij mij ook de indruk ontstaan dat niet alle gemeente-ambtenaren bekend zijn met de complexe materie van de jeugdzorg in het algemeen en de jeugdbescherming in het bijzonder. (…) Maar iemand die hele belangrijke beslissingen over kinderen moet nemen, moet daar wel verstand van hebben. Ik begrijp niet waarom de jeugdzorgprofessional die voor een gecertificeerde instelling werkt, iemand die het kind en het gezin kent en die bevoegd en bekwaam is om belangrijke beslissingen te nemen over een kind, niet daadwerkelijk kan bepalen welke zorg er komt.

De spaarpot met jeugdzorg budget staat voor mijn gevoel op het verkeerde bureau. Dat heeft tot gevolg dat mensen die kinderen moeten beschermen heel veel tijd kwijt zijn met het zoeken naar geld. En dat is nu net niet ingecalculeerd in hun takenpakket. (…) Als dit systeem gehandhaafd blijft, zullen de jeugdigen hun gezinsvoogd of reclasseringswerker weinig zien. Die heeft het namelijk te druk voor huisbezoeken.”