Jeugdzorg kwijnt weg, Den Haag kijkt weg 29 april 2016

Soms is het leuk om gelijk te krijgen. Maar als je keer op keer voor een negatieve ontwikkeling hebt gewaarschuwd en als steeds duidelijker begint te worden dat die voorspelling uit komt, krijg je al heel gauw teveel gelijk om vrolijk van te worden. Drie jaar geleden is door ouders, familie- en jeugdrechtadvocaten, deskundigen op het gebied van de jeugd-ggz, bestuurders van specialistische jeugdzorginstellingen, André Rouvoet, de Kinderombudsman, het College Bescherming Persoonsgegevens en door mijzelf gewaarschuwd voor overhaaste invoering van de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten. Eind 2013 kwam er zelfs een unieke hoorzitting in Eerste Kamer, waar wij de gelegenheid kregen om onze zorgen naar voren te brengen. Het moest allemaal te snel, veel te veel zaken waren onvoldoende of zelfs helemaal nog niet geregeld waardoor, gevoegd bij de enorme bezuinigingen, groot risico bestond dat noodzakelijke zorg voor kinderen met ernstige en dus dure en ingewikkelde zorg niet kon worden gegarandeerd. En er waren ernstige zorgen aangaande de privacy en vrees dat allerlei persoonsgegevens op gemeentehuizen zouden gaan rondzwerven.

Natuurlijk kwamen die misstanden zoals door ons voorspeld er. Het afgelopen jaar is van diverse kanten duidelijk geworden dat de privacy bij de gemeenten in buitengewoon slechte handen is. De wachtlijsten zijn terug. Vrijgevestigde jeugdzorgverleners ontvluchten de jeugdzorg vanwege de ellende met de pgb’s. Inmiddels begint het besef door te dringen dat de gespecialiseerde jeugdzorginstellingen het water tot aan de lippen staat. Ze gingen de transitie al in zonder reserves; ze moesten heel veel extra administratief personeel in dienst nemen om te onderhandelen met tientallen, soms honderden gemeenten en ook nog eens alle nieuwe administratieve rompslomp en chaos onder controle te krijgen. Langzamerhand wordt duidelijk dat gemeenten bij hun voor vele miljoenen in het krijt staan en dat meerdere instellingen daardoor binnenkort dreigen om te vallen (lees de NRC 28 april). Duizenden extreem zorgafhankelijke kinderen (en hun ouders) dreigen straks in de kou te komen staan.

‘Maar’, zegt de Utrechtse wethouder jeugdzorg Victor Everhardt (D66), voorzitter van de commissie jeugd van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, ‘we zijn een gedecentraliseerd systeem. Samenwerking kan niet dwingend worden opgelegd. Elke gemeente moet haar eigen verantwoordelijkheid nemen.’ En daar zit nou net het cruciale probleem, de kwestie waar wij jaren geleden al uitdrukkelijk op hebben gewezen: in de wijze waarop de decentralisatie gestalte heeft gekregen heeft steeds een notie van collectieve verantwoordelijkheid en van centrale regie ontbroken. Er is zowel van de kant van de rijksoverheid als van de kant van de gemeenten voortdurend voorbij gegaan aan het feit dat collectieve verantwoordelijkheid, heldere kaders en regelgeving noodzakelijk zijn om zo’n proces in sociaal goede banen te leiden.

Het klinkt wellicht bitter, maar het lijkt soms alsof we met de ideologie van de ‘lokale autonomie’ terugkeren naar de 19e eeuw, waarbij het hele idee van een centrale overheid die heldere regels stelt en zich verantwoordelijk acht voor het algemeen belang op het gebied van de zorg uit zicht lijkt te verdwijnen. Staatssecretaris Van Rijn wijst naar de gemeenten als jeugdzorginstellingen hem aanspreken op wat er fout gaat en op de drama’s die in het verschiet liggen. Minister Plasterk vindt een centrale privacyregeling overbodig en niet opportuun: de gemeente moeten zich hier naar eigen inzicht zien te redden. En de (grote) gemeenten zweren bij ‘ieder voor zich’ en neigen al net zo hard naar ontkenning van de collectieve problematiek.