Moet de school radicalisering aanpakken

30 Jan. 2015

Minister Bussemaker stelt in een recent interview in Trouw dat docenten ‘niet langer mogen wegkijken’ als ze zien dat leerlingen op hun school radicaliseren. “Als leerlingen op jouw school aan het radicaliseren zijn, is het zaak dat je dus niet denkt: dit is heel lastig, heel pijnlijk en heel vervelend, maar ik weet niet zo goed wat ik er aan moet doen. Zoiets vraagt van een docent dat je erop af gaat en met andere partijen gaat overleggen.”

Dat dat ‘erop af gaan en met andere partijen overleggen’ echter nog niet zo makkelijk is zagen we onlangs in Nice. Daar vertoonde de acht-jarige Ahmed in een kringgesprek over de afschuwelijke aanslag op Charlie Hebdo volgens zijn docent zulk dubieus gedrag, dat hij vond dat verdere actie niet mocht uitblijven. De docent vroeg of Ahmed zich ook ‘Charlie’ voelde. Ahmed zei dat ie moslim was en dus tegen Charlie Hebdo, want in dat blad stonden karikaturen van de profeet Mohammed. Hij vond dat ze het hadden verdiend. De docent liep hierop naar het schoolhoofd. Die riep Ahmeds vader ter verantwoording. Zijn vader sprak hem vermanend toe, maar daar nam het schoolhoofd geen genoegen mee. Die gaf zijn 8-jarige leerling aan bij de politie.

Hoogstwaarschijnlijk zal Jet Bussemaker net als ik vinden dat dit natuurlijk niet de bedoeling is. Maar wat dan wel? Laten we om te beginnen eerlijk zijn: de doorsnee docent (en wij allemaal) denken in zo’n geval inderdaad, ‘dit is heel lastig, pijnlijk en vervelend en ik weet niet zo goed wat ik er aan moet doen.’ Als de weergave van het kringgesprek klopt, dan denk ik dat om te beginnen de vraag al verkeerd was gesteld. Die heeft meer het karakter van een test of een verhoor, dan van een open gesprek waarin geluisterd wordt naar hetgeen de kinderen te berde brengen. Bovendien: radicalisering is iets waarop we alert moeten zijn bij pubers en adolescenten. Dat heeft alles met de onwikkeling van hun vermogen tot abstractie te maken, hun opbloeiende interesse in begrippen als ‘rechtvaardigheid’ en ‘eerlijkheid’. Radicalisering onder jongeren, zo leert onderzoek, draait om hun behoefte aan een identiteit om trots op te zijn, verbondenheid en antwoorden op existentiele vragen. Daarom stuurde de politie Ahmed al weer snel naar huis: veel te jong, hij wist niet waar ie het over had. Soms heb je als kind en als ouder meer aan een wijze politieman of -vrouw dan aan een leerkracht of schoolhoofd.

Als we de school een rol willen laten spelen in het tegengaan van radicalisering zullen we in elk geval de docenten op deze precaire taak moeten voorbereiden en trainen. Het voorbeeld van Nice laat zien dat het zelfs de vraag is of de school zich daarbij moet opstellen als de instantie die ‘erop af gaat’. Als de school in deze beladen problematiek een rol wil spelen zal dat met beleid en met kennis van zaken en in elk geval met prudentie en een luisterend oor moeten gebeuren. Iedere docent in het voortgezet onderwijs weet dat wie de sores van pubers niet serieus neemt, geen kans maakt op een werkelijk gesprek. Bovendien ligt bij de school en de docent die ‘erop af gaat’ al gauw een vertrouwensbreuk op de loer.

Maar allereerst moeten we ons de vraag stellen of de school wel in staat is om radicalisering te onderkennen? Plotseling een sluier om een weelderige haardos? Islamitische leuzen op de wc-deur? Voortdurend praten over het onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan? Zeggen dat je geen Charlie Hebdo bent? Het lijkt allemaal primair en herkenbaar puberaal gedrag. Kortom, als minister Bussemaker wil voorkomen dat docenten die hier een taak zien in hun eigen valkuil trappen, zou het verstandig zijn als de scholen ook hierbij begeleiding krijgen.