Nationale Ombudsman neemt loopje met de wet 21 februari 2016

Met Guido van Woerkom als kersverse Nationale Ombudsman was al gauw duidelijk dat er iets niet deugde. Met Reinier van Zutphen ligt dat ingewikkelder, maar het effect is uiteindelijk minstens zo desastreus, zo niet voor hemzelf, dan in elk geval voor het instituut Nationale Ombudsman en voor dat andere onafhankelijke instituut, de Kinderombudsman. Van Woerkom zei verkeerde dingen en deed verkeerde dingen, nog voordat hij zich als Nationale Ombudsman kon bewijzen. Van Zutphen zegt niks, maar doet verkeerde dingen juist om zich als Nationale Ombudsman te bewijzen.

Hij kondigde onlangs aan dat hij het contract van zijn collega, de zittende Kinderombudsman Marc Dullaert, niet wilde verlengen. Hij erkende dat Dullaert belangrijke successen had geboekt en grote betrokkenheid had getoond, maar …. Nee, hij zei niks, alleen dat hij ‘zijn eigen team’ wilde samenstellen. Hoezo ‘eigen team’? Is er enige grondslag voor deze ambitie van de Nationale Ombudsman? Staat dat in de wet?

Nee, er ontbreekt een wettelijke grondslag. Sterker nog, het is destijds de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest dat het instituut Kinderombudsman onafhankelijk zou zijn. De initiatiefneemster, Khadija Arib, de huidige voorzitter van de Tweede Kamer, stond een nieuw en zelfstandig instituut voor ogen. André Rouvoet heeft daar onlangs nog eens aan herinnerd. Als minister voor Jeugd & Gezin was hij destijds medeverantwoordelijk voor de totstandkoming van het instituut Kinderombudsman. Hij wees erop dat de onafhankelijkheid van de Kinderombudsman, ook ten opzichte van de Nationale Ombudsman, altijd uitgangspunt is geweest en gebleven en dat de Memorie van toelichting in 2010 bij het wetsvoorstel tot instelling van de Kinderombudsman geen enkel misverstand laat bestaan over de bedoeling van de wetgever hieromtrent. Er is uiteindelijk alleen om zuiver praktische redenen voor gekozen hem bij de nationale ombudsman onder te brengen en stellig niet om hem tot onderdeel van zoiets als het ‘team Nationale Ombudsman’ te maken.

Inmiddels heeft Van Zutphen een advertentie laten verschijnen, waarin de Kinderombudsman uitdrukkelijk als ‘substituut ombudsman’ wordt voorgesteld, ‘in de schaduw van hemzelf’, zoals NRC-Handelsblad in haar commentaar schrijft. Van Zutphen ziet zichzelf, zoals hij zelf zegt, graag als ‘het gezicht van de organisatie’.

De Tweede Kamer kan deze inlijvingsmanoeuvre niet over haar kant laten gaan. Zij heeft de gelegenheid al voorbij laten gaan om haar wettelijke bevoegdheid te gebruiken om de zittende Kinderombudsman te verlengen. Zij dient Van Zutphen nu terug te fluiten en te wijzen op zijn beperkte bevoegdheid, namelijk tot het doen van een voordracht, niet tot het inlijven van het instituut Kinderombudsman.