Ouders doen ertoe, ook bij stoppen met criminaliteit

26 febr. 2015

In ons onderzoek naar het proces van stoppen met criminaliteit door jonge veelplegers stuitten we op de fascinerende rol van de ouders. In ons voorafgaand dossieronderzoek, Jeugdige veelplegers (2010), was gebleken dat de meeste ouders van jonge veelplegers niet sterk in hun schoenen staan. Als ze niet in staat zijn om hun minderjarige kind te laten stoppen met criminaliteit, zouden ze daar dan later wel een positieve rol bij kunnen spelen?

Een eerste bevinding uit onze vervolgstudie Stoppen of volharden (2014) was dat alle ouders willen dat hun zoon zorgt dat hij geen dingen doet waardoor hij voortdurend met de politie in botsing komt. Maar wat ze ook aanraden, hoe ze ook tekeer gaan, het gaat zoals de jongens zelf opmerken ‘het ene oor in, het andere uit’. ‘Weet je’, vertrouwt Mohammed ons toe over de reactie van zijn moeder, ‘die preken kan ik niet tegen. Dan is ze in de keuken en dan komt ze steeds weer naar de kamer lopen en gaat ze weer schreeuwen en dat doet ze de hele dag!’ In de ogen van deze jongens doen de ouders lastig. Met zo’n hysterische moeder kun je toch niet rustig in de kamer zitten! Dus dan gaat hij ‘natuurlijk gewoon weer naar buiten’.

Een tweede bevinding is dat veel ouders het op een gegeven moment opgeven om hun zoon te blijven te corrigeren. Vooral de moeders zijn vaak bang om hun zoon helemaal kwijt te raken. Ze hebben er allerminst vrede mee en schamen zich ervoor, maar proberen zijn criminele gedrag zoveel mogelijk te negeren en soms zelfs te ontkennen. Aansluitend was een derde opvallende bevinding dat de meeste zoons ook van hun kant hun best doen de vertrouwensband met hun moeder in stand te houden – door haar van tijd tot iets toe te vertrouwen, net genoeg om haar het idee te blijven geven dat hij haar en alleen haar vertrouwt, natuurlijk niet alles, want dat levert maar problemen op. Zolang de jongens doorgaan spelen ze dit spel puur instrumenteel. Van haar kant houdt hun moeder maar al te graag vast aan de gedachte dat hij haar vertrouwt en dat ze langs die weg misschien toch een klein beetje positieve invloed kan uitoefenen, en hem in elk geval niet helemaal kwijt raakt.

Dat loont tenslotte in zoverre, dat als de jongeman op een gegeven moment toch tot inkeer komt, zijn ouders via haar gekoesterde band niet helemaal uit beeld zijn. Als het mee zit gaat hij dan eindelijk ook stap voor stap beseffen wat de impact van zijn wangedrag op zijn ouders al die jaren is geweest. Dat is bijvoorbeeld zonneklaar bij Abas. Die wil per se niet meer dat zijn moeder hem opzoekt in de gevangenis: ‘Ik weet als ik haar hier zie en als ze weggaat, dat ik me weer helemaal verrot zal voelen. Als je denkt: mijn moeder heeft zo’n goeie vertrouwen in mij en dan…, dan ga je echt kapot van binnen.’

Dit besef, dit laat ontluikend empatisch vermogen, is op zijn beurt weer van belang om te kunnen vasthouden aan het besluit op te houden met zijn criminele levenswijze. Daarmee komen we bij onze afsluitende bevinding: ouders doen ertoe, ook bij jongvolwassen veelplegers. Niet zozeer de pedagogische kwaliteiten van de ouders, maar hun praktische, morele en emotionele steun speelt bij de meeste twintigers een cruciale rol om te kunnen stoppen. Ze stoppen zelden vanwege hun ouders, maar ze hebben de steun van hun ouders wel nodig om echt te kunnen stoppen.