Prenatale kinderbescherming

30 aug. 2015

Prenatale kinderbescherming is ineens hot in kleine kring. Vanuit uiteenlopende invalshoeken wordt aandacht gevraagd voor bescherming van kinderen nog voordat ze geboren zijn en zelfs voor preventie dat ze geboren worden. Ondanks dat het hier om een buitengewoon precair terrein gaat, waar kwesties als het belang van het kind, autonomie en lichamelijke integriteit op ingewikkelde wijze in het geding zijn, buitelen allerlei voorstellen over elkaar. Vaak is nauwelijks bekend hoe groot het geschetste probleem eigenlijk is. Vaak gaat het om ondoordachte en soms ronduit dubieuze voorstellen.

Zo lanceerde Martin Sitalsing, oud politieman en sinds enkele jaren directeur Jeugdbescherming Noord, eind januari via diverse media het voorstel om mensen met een verstandelijke beperking, psychiatrische patiënten en ernstig verslaafden te kunnen dwingen tot verplichte anticonceptie. Door deze risicogroepen te verhinderen kinderen te krijgen zou volgens hem veel toekomstig kinderleed kunnen worden voorkomen. Daarop kwam uiteraard veel kritiek. Ook kinderartsen, die op grond van hun soms gruwelijke ervaringen met mishandelde of verwaarloosde kinderen overtuigd zijn van het nut van gedwongen anticonceptie in specifieke, extreme gevallen, spraken zich uitdrukkelijk uit tegen een dergelijke dubieuze categoriale aanpak.

Begin maart kwamen oud kinderrechter Cees de Groot en hoogleraar familierecht Paul Vlaardingerbroek in NRC Handelsblad met een meer genuanceerd, maar verder nauwelijks uitgewerkt voorstel voor een wet die de rechter de gelegenheid zou moeten bieden tijdelijk verplichte anticonceptie op te leggen, als er sprake was van eerdere verwaarlozing of mishandeling van een kind.

Half juni bracht de Raad voor strafrechttoepassing en jeugdbescherming (RSJ) een advies uit, waarin werd gepleit voor een aparte wet voor de ondertoezichtstelling van nog niet geboren kinderen als ouders door roken, drinken, drugs of ander riskant gedrag de gezondheid van het toekomstige kind in gevaar brengen. Onduidelijk bleef hoe deze rechtsgrond dan zou moeten luiden, waarom en in hoeverre de bestaande wetgeving tekort zou schieten en waarom een aparte wet extra bescherming zou bieden. Het was ook opvallend dat voor dit advies een indertijd veel bediscussieerd artikel van de Amsterdamse kinderrechters Enkelaar en Van der Does (FJR 2009) buiten beschouwing werd gelaten. Daarin werd namelijk precies het omgekeerde geconcludeerd: ondertoezichtstelling is heel goed mogelijk als er vrees bestaat voor ouderlijke onverantwoordelijkheid. De bestaande wetgeving biedt voldoende bescherming; jaarlijks wordt in een kleine 300 van dergelijke gevallen een ondertoezichtstelling van het kind aangevraagd.

Nog geen twee weken later laat Cees de Groot een nieuw ballonnetje op. In een opiniebijdrage in het Nederlands Juristenblad (NJB) pleit hij voor de mogelijkheid van gedwongen keizersnede tegen de wil van de moeder. In Engeland zou de rechter zo’n ingreep mogelijk hebben gemaakt en de auteur stelt voor om in ons land een vergelijkbare, simpele procedure ‘van de grond te tillen’, in het belang van het kind. Drie dingen vallen daarbij bijzonder op. Ten eerste maakt de auteur op geen enkele wijze duidelijk aan wat voor soort gevallen we hierbij moeten denken, of die vaak voorkomen en of die werkelijk niet eleganter kunnen worden opgelost. Ten tweede legt de auteur een opvallende, niet bepaald aangename nadruk op het gedogen van ‘appropriate force’ bij een dergelijke ingreep, terwijl daar in de Engelse casus zeer terughoudend over wordt gesproken. Tenslotte is er het dubieuze feit dat de twee Engelse voorbeelden in zijn verhaal volstrekt uit hun verband worden gerukt en tendentieus gebruikt. In beide gevallen blijkt het namelijk te gaan om vrouwen die ernstig in de war en wilsonbekwaam waren. De Groot laat onvermeld dat de rechter tot zijn beslissing is gekomen in nauw overleg met de behandelend psychiater, de advocaat en naaste familie van de zwangere vrouw. Bovendien wordt deze beslissing uitdrukkelijk niet gemotiveerd door het belang van het kind, maar door het belang van de moeder.

Het valt niet te ontkennen dat er zich soms schrijnende gevallen voordoen waarbij men zich kan afvragen of er niet behoefte is aan eerder ingrijpen tijdens of zelfs voor de zwangerschap om ernstige schade voor een toekomstig kind te voorkomen. Onbekookte ideeën en onzorgvuldig lezen en interpreteren roepen echter niet alleen weerstand op, maar leveren ook geen positieve bijdrage aan een serieuze gedachtewisseling over deze dimensie van kinderbescherming.