RECHTSPRAAK:  Omgangsondertoezichtstelling 7 maart 2016

 

Sinds de invoering in 1998 van het gezamenlijk ouderschap na scheiding hebben nogal wat ouders, maar ook veel familie- en jeugdrechtadvocaten en kinderrechters verzucht dat deze wetswijziging, hoe goed ook bedoeld, voor meer problemen voor kinderen heeft gezorgd. Studies tonen aan dat gezamenlijk ouderschap helaas niet leidt tot verbetering van de kwaliteit van de ouder-kindrelatie na scheiding (Metz & Schulze, 2007). Vanaf de invoering is de frequentie van de ruzies tussen de ex-partners explosief gestegen en sindsdien niet afgenomen (Spruijt & Kormos, 2010).

Standaard vormt de omgangsregeling met de kinderen het grote struikelblok bij een conflictueuze scheiding. Als ouders in ernstige conflicten verzeild raken rondom hun scheiding, hebben ze ter wille van hun kind(eren) ondersteuning nodig om tot een aanvaardbare omgang te komen. Als de ouders er niet in slagen hun conflicten te beheersen, wordt de omgangsregeling tot een permanente strijd die onvermijdelijk in het nadeel van het kind uitpakt.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert jaarlijks in enkele duizenden gevallen tot een omgangsregeling. Als zo’n omgangsregeling door de rechter is opgelegd, maar er in de praktijk weinig of niets van terechtkomt, adviseert de raad soms tot een ondertoezichtstelling. Langs die weg dient dan een correcte naleving van de omgangsregeling te worden gerealiseerd. Meestal wordt een dergelijk advies door de rechtbank gevolgd.

Jaren geleden had ik een interessante discussie met Raadsmedewerkers over het al dan niet adviseren van een OTS vanwege niet nakomen van een omgangsregeling. Sommige raadsonderzoekers vonden dat een OTS in zo’n geval terecht zou zijn, omdat het niet eerlijk was tegenover de benadeelde, niet-verzorgende ouder. Hier moest ik aan denken toen ik een recente uitspraak van de Hoge Raad las – http://www.recht.nl/rechtspraak/?ecli=NL:HR:2016:295 De Hoge Raad corrigeert daarin eerdere beslissingen van de rechtbank en het Hof om een zogeheten ‘omgangsondertoezichtstelling’ op te leggen aan de vader die het kind na de scheiding verzorgt. Het gaat goed met het kind dat inmiddels vier jaar is. Maar de ouders hebben zich helemaal vastgebeten in een onverkwikkelijke ruzie.

Vanuit pedagogisch perspectief staat in zo’n geval voorop dat het kind tegen de gevolgen van een dergelijke voortdurende ouderlijke ruzie moet worden beschermd. Dat betekent dat het contact met de uitwonende, niet verzorgende ouder in principe beter kan worden beëindigd, in het belang van het kind. Zoals de auteurs van het Handboek scheiden en de kinderen stellen, is vermijding van de confrontatie met ouderlijke conflicten voor het welzijn van kinderen belangrijker dan contact met beide ouders. Zij zien niets in de inzet van het paardenmiddel van de omgangsondertoezichtstelling, omdat daarmee misschien wel de rechtvaardigheid richting de ruziënde ex-en wordt gediend, maar niet het belang van het kind. Vanuit dit perspectief dienen zich slechts twee opties aan: als de niet-verzorgende ouder de regeling frustreert, dient die te worden beeindigd; is dat niet aantoonbaar het geval, dan dienen beide ouders te worden verplicht tot mediation met als doel in het belang van het kind tot een voor beide partijen aanvaardbare situatie te komen.

De wet is duidelijk terughoudender, maar vereist wel dat voor de inzet van dit paardenmiddel zoals bij elke OTS aan tenminste twee eisen is voldaan. Ten eerste moet duidelijk zijn dat er geen andere, minder ingrijpende middelen voorhanden zijn. Ten tweede moet concreet worden aangetoond dat het niet naleven van de omgangsregeling tot ernstige schade leidt voor de ontwikkeling of gezondheid van het kind. In de onderhavige casus was aan beide voorwaarden niet voldaan. Deze beslissing van de Hoge Raad laat zien dat een strikt juridische benadering op dit punt in de buurt komt van een pedagogische invalshoek.