Herbezinning op screening kindermishandeling noodzakelijk

20 maart 2017

Een eeuw geleden brachten de Kinderwetten cruciale verbeteringen voor het verwaarloosde en het delinquente kind. Historici hebben er echter op gewezen dat onder de voorstanders een enorm wantrouwen tegen de ouders heerste. Zo schreef de auteur van de Kinderwetten, dat er in het hele land streken waren waar ‘nagenoeg alle ouders te ontheffen en te ontzetten zouden zijn.’ Decennialang was uitgangspunt dat de band tussen ouders en kind zo grondig mogelijk verbroken moest blijven, omdat men het gezin als bron van de ondergang van de kinderen zag. Pas halverwege de vorige eeuw begon het besef door te dringen dat het contact tussen ouders en kind veelal eerder verbeterd diende te worden dan verbroken, in het belang van het kind. En geleidelijk aan drong het besef door dat ouders rechten hebben, niet als goede ouders, maar als ouders van hun kind. Tenzij aannemelijk is dat zij hun kind ernstige schade (dreigen te) berokkenen.

Tegen de achtergrond van een aantal schokkende gezinsdrama’s is een dergelijke prudente houding tegenover ouders aan het begin van de 21e eeuw ineens weer uit beeld geraakt. Opnieuw heerst een sterk wantrouwen jegens ouders, notabene tegen de achtergrond van een algemene opvoedingssituatie die zich op een historisch en internationaal ongekend hoog peil bevindt. Dit wantrouwen jegens ouders gaat gepaard met een streven naar het absoluut willen uitsluiten van risico’s. Deze morele paniek vormt de achtergrond van de invoering van een bonte verzameling screenings- en risicotaxatie-instrumenten. Typerend is hierbij de haast en het gebrek aan weloverwogen maatregelen. Iedereen bedenkt wat, zorgvuldig opgezette en wetenschappelijk begeleide pilots ontbreken, inzicht in ethische en juridische problemen blijft achterwege en de landelijke overheid wacht af.

De invoering, zes jaar geleden, van screening op kindermishandeling bij afdelingen spoedeisende eerste hulp en huisartsenposten, waarover onlangs in de Volkskrant en het NOS Journaal werd bericht, past in deze trend. Volgens de Inspectie voor de Gezondheidszorg werden op deze afdelingen veel te weinig mishandelde kinderen opgespoord, terwijl dergelijk bezoek aan een onbekende arts een ‘gouden kans’ leek om kindermishandeling vroegtijdig op het spoor te komen. Her en der werden voortvarend lijstjes met risico-indicatoren in elkaar getimmerd en meteen ingezet. Geen pilot, geen landelijke coordinatie, geen wetenschappelijke onderbouwing en begeleiding. Let wel, deze ontwikkeling had zeker positieve kanten, al was het maar dat de betrokken artsen erdoor werden gestimuleerd op signalen van mogelijke mishandeling te letten en dat zij zich meer competent voelden wanneer ze met een vermoeden van mishandeling te maken kregen. Dat laatste blijkt echter deels illusoir, gezien de gebrekkige zeggingskracht van de screening waarmee ze werken. En het genante gebrek aan zorgvuldige voorbereiding blijkt ook onmiskenbare nadelen en zelfs gevaren met zich mee te brengen.

Toen twee jaar geleden de toepassing van dergelijke screening bij vier afdelingen eerste hulp kritisch tegen het licht werd gehouden, bleken er van de honderd verdenkingen van kindermishandeling slechts drie terecht. Deze week verdedigt Maartje Schouten aan de Universiteit Utrecht haar studie naar de toepassing van een van deze screeningsinstrumenten bij vijf Utrechtse huisartsenposten. Hier blijken slechts acht van de honderd verdenkingen terecht. Deze meting is niet waterdicht, dus misschien zijn het er iets meer. Schouten toont echter ook aan dat het wetenschappelijk bewijs over de her en der gebruikte screeningsinstrumenten van lage kwaliteit is en dat alle gebruikte instrumenten een matige validiteit hebben. Ze pleit ervoor de checklist terug te brengen tot twee basale vragen en niet als screeningsinstrument te gebruiken maar slechts als manier om het besef van mogelijke mishandeling te verhogen.

Vanuit de Vereniging voor Kindergeneeskunde en de Inspectie wordt aangedrongen op doorgaan met de huidige screening. Als ruim 9 op de 10 ouders ten onrechte wordt verdacht van mishandeling van hun kind, dan is zo’n grove methode echter niet meer te handhaven. De screening moet verbeterd en uitgetest en er zal op z’n minst een landelijk protocol moeten komen, dat artsen verplicht tot het voeren van een open gesprek met de ouder, indien men wordt geconfronteerd met letsel dat gefundeerde vragen oproept. En ook in juridisch opzicht vraagt deze aanpak om herbezinning. De Volkskrant (20 maart) geeft twee voorbeelden waarbij ouders onwetend werden gehouden van de melding kindermishandeling die de arts na hun bezoek had gedaan. Het Europees Hof voor de Mensenrechten heeft in de zaak Venema tegen Nederland (17 december 2002) onder verwijzing naar artikel 8 EVRM een dergelijk optreden van de arts jegens de ouders veroordeeld.