De rol van de jeugdofficier in de 21e eeuw

28 april 2017

Het is zonneklaar dat de rechtvaardiging van een apart jeugdstrafrecht is gelegen in de beperkte verantwoordelijkheid van de minderjarige. Veel minder vanzelfsprekend maar minstens zo belangrijk is het inzicht dat de kern van het jeugdstrafrecht gegeven dit uitgangspunt ligt in de pedagogische inzet of ambitie ervan. De kern van een apart jeugdstrafrecht zit ‘m niet zozeer in het pakket aan specifieke sancties (en de correcte en weloverwogen, goed geïnformeerde toepassing daarvan), al is hun bestaan volstrekt onmisbaar om tot een verantwoorde pedagogische inzet van sancties te kunnen komen. De kern zit ‘m in de aparte strafrechtelijke procedure, met uitdrukkelijk appèl op de zich ontwikkelende verantwoordelijkheid van de minderjarige en met eveneens uitdrukkelijke verantwoording van de eventueel op te leggen sanctie (dan wel het achterwege blijven daarvan) naar de mate van verantwoordelijkheid van de minderjarige.

Voor het jeugdstrafproces gelden in principe dezelfde pedagogische condities als voor verantwoord en zinvol toepassen van straf in de opvoeding: eventuele sancties dienen ‘onvermijdelijk’ te zijn, dat wil zeggen niet de ene keer wel en de andere keer niet; ze dienen zo snel mogelijk op het ongewenste gedrag te volgen; voldoende zwaar te zijn; en vooral begrijpelijk. Het is evident dat sanctioneren binnen het strafrecht bij lange na niet kan voldoen aan al deze condities. De pakkans is zeer gering, dus aan de eerste voorwaarde wordt nauwelijks voldaan. Een snelle strafrechtelijke reactie is, zeker vanuit het perspectief van het kind, slechts zeer beperkt en alleen bij de allerlichtste delicten haalbaar (hoewel met name op dit punt recent flinke stappen zijn gezet, die echter op hun beurt ook weer veel vragen oproepen, waarover meer in een volgende blog). Het is ook de vraag in hoeverre ons jeugdstrafrecht tegemoet komt aan de eis van voldoende zwaarte. Hetzelfde geldt voor de kwestie van de begrijpelijkheid, cruciaal ingrediënt van het jeugdstrafrecht: een begrijpelijk appèl op de eigen verantwoordelijkheid van de jongere en een begrijpelijke uitleg waarom hem deze sanctie in deze mate wordt opgelegd.

Gezien de ingrijpende veranderingen die de afgelopen decennia in het strafrecht zijn doorgevoerd, moeten we ons afvragen hoeveel er op dit moment van de pedagogische inzet van het jeugdstrafrecht terecht komt. Die vraag dringt zich op na lezing van de dissertatie van Joep Lindeman, die op 21 april aan de Universiteit Utrecht promoveerde op een onderzoek naar de rol van de officier van justitie in de 21e eeuw. Lindeman constateert dat de rol van de officier bij de doorsnee kleine delicten verregaand is gemarginaliseerd. Nederland telt zo’n 800 officieren, maar de bulk van het werk wordt in feite verricht door enkele duizenden ‘gemandateerde’ medewerkers die het merendeel van de jaarlijks ruim 200.000 misdrijven zelfstandig afhandelen. De massa aan eenvoudige, lichte delicten wordt afgedaan door een afdoeningsteam, bestaande uit parketmedewerkers met een mbo-opleiding die op grond van algemene richtlijnen relevante gegevens uit het politiedossier invoeren in een computersysteem, waarna daar een gestandaardiseerde sanctie uit rolt. Daar komt in principe geen officier van justitie aan te pas.

Terecht vragen juristen zich af of dat niet betekent dat in de bulk van de strafzaken die in doorsnee niet bij de rechter terechtkomen tegenwoordig de tijd, de kennis en de attitude ontbreken om zorgvuldig te zoeken naar een rechtvaardige balans in het individuele geval. Vanuit pedagogisch perspectief rijst daarbij de vraag of de pedagogische inzet van het jeugdstrafrecht bij het Openbaar Ministerie hiermee niet in de knel komt? De overgrote meerderheid van de jeugddelicten behoort immers bij uitstek tot de lichte bulkzaken. Daarvan worden de allerlichtste afgedaan door Halt en de iets zwaardere (ongeveer 1/3) door het OM. Hoe gaat het OM hiermee om, wie communiceert met de minderjarige en hoe gebeurt dat? Het zou goed zijn als er in het verlengde van de studie van Lindeman onderzoek zou worden gedaan naar de rol van de jeugdofficier in de 21e eeuw.