Gemeentelijke weigering jeugdzorg door rechter afgewezen

2 mei 2017

Een meisje met psychische problemen in Steenwijkerland kreeg voor de invoering van de Jeugdwet wekelijks vier a zeven uur begeleiding via Bureau Jeugzorg. De nieuwe wet maakte de gemeente Steenwijkerland zoals overal elders in het land verantwoordelijk voor deze hulp en zo’n intensieve begeleiding betekent een hoge kostenpost voor de gemeente. Omdat de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten ook nog eens gepaard ging met een majeure bezuiniging, gaan de gemeenten – zeker de kleine en middelgrote gemeenten – uiteraard uiterst terughoudend om met aanvragen voor (continuering van) dure zorg. Ze weten zich daarbij gesteund door de gedachte achter de transitie, dat er al te gemakkelijk gebruik wordt gemaakt van (dure) professionele hulp en dat mensen moeten worden gestimuleerd meer problemen op ‘eigen kracht’ op te lossen, door zelf of in het netwerk van familie of buren oplossingen te zoeken. Vanuit die gedachte vroeg de gemeente aan het plaatselijke Centrum Jeugd en Gezin of die dure hulp voor dit meisje wel echt noodzakelijk was. Het centrum meende dat dit onnodig was: haar moeder kon die taak wel overnemen.

Deze afwijzing is nu eindelijk voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep en deze hoogste bestuursrechter oordeelt dat het advies van het Centrum Jeugd en Gezin ondeugdelijk is. De expertise die vereist is om tot een fatsoenlijk en deugdelijk onderbouwd advies te komen is niet aangewend. In het advies wordt zelfs niet duidelijk welke stoornissen de jongere precies heeft en welke professionele hulp dat eventueel vereist. De rechter wijst het advies en daarmee de beslissing om de hulpaanvraag te weigeren af. De gemeente moet het hulpverzoek opnieuw beoordelen en een nieuwe beslissing nemen die wel voldoet aan de zorgvuldigheidseisen.

Deze uitspraak is van groot belang voor de jeugdzorg in het algemeen en voor de zorgplicht van alle gemeenten. ‘De hoogste bestuursrechter geeft hiermee een spoorboekje aan de gemeenten’, zegt de woordvoerder van de Centrale Raad van Beroep. ‘Over de afhandeling van jeugdhulpaanvragen door gemeenten leeft onvrede in de samenleving. Deze uitspraak bepaalt aan welke zorgvuldigheidseisen gemeenten moeten voldoen.’

Niemand verheugt zich op een gang naar de rechter om noodzakelijke hulp af te dwingen. Maar nu de rijksoverheid zich zo duidelijk terugtrekt van belangrijke terreinen van zorg en de gemeenten enerzijds strakke financiele kaders maar anderzijds ongekende vrijheid in de uitvoering biedt, is de gang naar de bestuursrechter voor veel zorgafhankelijke burgers in een toenemend aantal gevallen de enige weg om hun recht te halen. Die weg zal de komende tijd steeds meer worden bewandeld. En al is het voor de betrokkenen een hoogst ongelukkige weg, om niet te zeggen vaak een lijdensweg, het is maatschappelijk gezien een confronterende, maar hoogst noodzakelijke weg.

Zo bereiken mij voortdurend berichten van raadszonderzoekers, die hun verzoek tot een beschermingsmaatregel afgewezen zien worden door de kinderrechter, omdat de kinderrechter zich neerlegt bij een afwijzing door de gemeenten. De gemeente zegt dat het geld op is, en ja, helaas, dan krijgt het door iedereen beleden ‘belang van het kind’ maar even geen prioriteit. Ook hier zit een gang naar de hoogste bestuursrechter er aan te komen en ook hier mag worden gehoopt dat het professionele oordeel omtrent het belang van het kind de doorslag geeft boven de financiele ratio waarmee de gemeenten zijn opgezadeld.