Mondige ouders, boze burgers en de gang naar de rechter

6 september 2017

Begin deze week diende bij de rechtbank Utrecht een zaak van de ouders van een 7-jarige tegen de school van hun dochter. De ouders konden zich niet neerleggen bij de beslissing van de school om hun dochtertje in een combinatieklas van groep 3 en 4 te plaatsen. Naar hun mening was hun kind ‘veel te intelligent’ om in een combinatieklas met jongere leerlingen te zitten. Zij eisten niet alleen dat hun dochter binnen 24 uur in de klas van haar vriendinnen zou worden geplaatst, maar zij wilden bij de rechter ook de verzekering van de school afdwingen dat hun dochter ook in de komende jaren nooit meer in een combinatieklas terecht zou komen.

Onlangs stapten de ouders van twee kinderen naar de rechter omdat ze de jaarlijkse klassenfoto hadden gemist. Toen de schoolfotograaf kwam, waren hun twee dochters vrij van school vanwege het Offerfeest en bezochten ze de moskee. De ouders eisten 10.000 euro schadevergoeding en excuses.

De eisen waren fors. Die lijken te duiden op boze, zo niet woedende burgers. Helaas zijn dit geen unieke gevallen. Een toenemend aantal ouders onderneemt juridische stappen tegen de school van hun kinderen. Rechtsbijstandverzekeraars zien het aantal verzoeken voor advies rond conflicten met onderwijsinstellingen de laatste jaren stijgen. Zowel onderwijsorganisaties als oudervertegenwoordigers maken zich zorgen over deze trend die wordt beschouwd als een onwenselijke juridisering van het onderwijs. Trouw citeert Peter Hulsen, directeur van Ouders & Onderwijs, die ouders altijd adviseert om eerst de route te kiezen van bemiddeling: ‘Dan bellen ouders op met de woorden: kun je me doorverbinden met een advocaat? (…) als je het gesprek aangaat, blijkt er vaak een andere oplossing mogelijk. Uiteindelijk is geen kind erbij gebaat dat ouders en school vechtend over straat gaan.’

Een verwante ontwikkeling wat betreft het gemak waarmee de gang naar de rechter wordt gemaakt zien we bij rancuneuze ouders die zijn verwikkeld in een vechtscheiding, waarover de NRC onlangs rapporteerde. Als de strijd zo hoog oploopt dat de ontwikkeling van het kind in gevaar komt wordt het tijd dat de jeugdbescherming zich met de opvoeding en verzorging van het kind gaat bemoeien. Sommige ouders zijn echter zo strijdvaardig dat zij hun pijlen ook op de jeugdbeschermer richten. Ook hier is sprake van een trend en ook hier is het kind doorgaans de dupe van deze verscherping en verdere juridisering van de strijd. Jeugdbeschermers geven voorbeelden van een vader die zijn kind niet in zijn huis laat als het de kleren draagt van zijn ex, zodat het kind zich moet omkleden op de oprit. Van een moeder die op bed gaat liggen zodra haar kind op het punt staat naar vader te gaan, demonstratief een pil slikt en zegt dat ze een eind aan haar leven maakt als het kind vertrekt. En van een moeder die zo woest is op vader die met het kind wil wegrijden, dat ze zich op de motorkap werpt.

In die strijd signaleert Jeugdbescherming een toename van klachten jegens jeugdbeschermers. En die trend kan schadelijk uitpakken voor het kind, omdat de klachtenprocedure in het geval van vechtscheidingen vaak wordt gebruikt om de strijd voort te zetten. Daardoor gaat het steeds over de ouders, winnen ouders tijd om aanwijzingen van de jeugdbeschermer naast zich neer te leggen en dreigt het kind uit beeld te verdwijnen. En net als in het onderwijs herkennen zelfs de vertrouwenspersonen van het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg, die ouders ondersteunen bij het formuleren van hun klacht, het gevaar te worden meegezogen in de strijd van scheidende ouders.

CSU-, pardon, CDA-leider Sybrand Buma beweerde onlangs in zijn H.J. Schoolezing dat de boze burger ‘een gewone Nederlander is die telkens tegen een muur oploopt.’ Maar als we het fenomeen van de boze ouder die even snel zijn recht denkt te halen bij de rechtbank ook onder deze noemer scharen, dan lijkt er in veel gevallen sprake van een voorstelling van het recht als muurtje waar je naar wens wat uit kan trekken. En inderdaad, als ze dan verliezen en niet op hun wenken worden bediend, dan hebben sommige boze ouders wellicht het gevoel dat ze ‘tegen een muur oplopen’. Dat lijkt echter geen reden om a la Buma een arm om deze boze ouders te slaan. Het is eerder reden om de gang naar de rechter iets minder vanzelfsprekend te maken en nuttige, educatieve en reflectiebevorderende drempels op te werpen, zoals verplicht voorafgaande bemiddeling. Daarmee worden ouders tenminste geholpen zich te herinneren dat hun kind de dupe is van hun strijd.