rechter-300x171

RECHTSPRAAK:   Vechten en verhuizen en de wens en het belang van het kind

13 oktober 2017

Een bekende poging om voldongen feiten te scheppen in het kader van een vechtscheiding is de verhuizing van de ene ouder met kind naar een andere gemeente. Het kan geen kwaad als in brede kring bekend wordt dat zo’n typische pokerzet zelden slaagt, doordat de rechtbank hier een stokje voor kan steken. Een mooi voorbeeld biedt een recente casus waarin de rechters een dergelijke kwestie met bijzondere zorg en op voorbeeldige wijze richting de kinderen hebben aangepakt.

Vader en moeder hebben gezamelijk ouderlijk gezag over hun beide kinderen. De kinderen (14 en 16) verblijven sinds de scheiding bij hun moeder. Moeder heeft het plan opgevat met beide kinderen naar Zwitserland te verhuizen. Vader is het daar niet mee eens. Moeder heeft nog lang niet helder voor ogen of dat wel kan, of ze de kinderen daarmee niet in ernstige problemen brengt en hoe ze dat wil realiseren, maar ze toont zich vastbesloten en heeft de kinderen ervan overtuigd dat dit voor hen alledrie het beste is. Daarop verzoekt vader de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen en beide kinderen te mogen inschrijven in de basisregistratie en op een school in zijn gemeente. De rechtbank stemt hiermee in. Moeder ziet hiermee haar verhuiswens gefrustreerd en gaat tegen deze beslissing in beroep.

Het hof komt echter wat betreft het cruciale punt tot eenzelfde oordeel als de rechtbank: moeder heeft (opnieuw) onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak is om te verhuizen, ze heeft niet aannemelijk kunnen maken dat deze ingrijpende verhuizing goed is voorbereid, dat cruciale zaken als woning, werk en onderwijs zijn geregeld en dat de zorgen over de gevolgen voor de kinderen en voor de positie van de vader zijn weggenomen. Daarentegen ziet het hof geen aanleiding om het hoofdverblijf van de kinderen te wijzigen naar de vader, aangezien de kinderen zich daartegen verzetten, zij al heel lang bij hun moeder wonen en er geen aanwijzingen zijn dat de opvoedingssituatie bij de moeder ontoereikend is.

De rechters hebben voor hun beslissing ook met beide kinderen gesproken. Interessant is nu dat het hof op verzoek van het jongste kind zijn overweging uitdrukkelijk in gewone mensentaal heeft uitgeschreven. Beide kinderen hebben duidelijk gemaakt dat ze helemaal enthousiast zijn over het plan van hun moeder, allereerst omdat dit in verband met astma voor haar gezondheid beter zou zijn en de oudste denkt dat het ook voor hem beter zou zijn, omdat hij ook last zou hebben van astma en pollenallergie. De jongste voert bovendien aan dat hij het niet leuk vindt op school omdat ie wordt gepest; hij denkt dat de mensen in Zwitserland aardiger zijn en rustiger. Beide kinderen zijn ontevreden over de houding van hun vader, omdat hij het niet eens is met dit plan. Daarom willen ze geen contact meer met hun vader, terwijl dat voorheen geen probleem was.

Daarop schrijven de rechters dat ze begrijpen dat de kinderen veel zin hebben om naar Zwitserland te verhuizen en dat het belangrijk is voor kinderen om het fijn te hebben waar ze wonen. Maar, vervolgt het hof, ‘het is niet goed voor kinderen dat ze in een vreemd land gaan wonen, terwijl het erg onzeker is of dat blijvend kan zijn (of dat mag van het land en of het financieel kan), of ze daar hun school kunnen oppakken zonder te grote achterstand – ze moeten om te beginnen de taal nog leren – en of ze daar vrienden kunnen maken.’ De rechters hebben de indruk dat de kinderen een te ideaal beeld hebben van het wonen in Zwitserland. Bovendien stelt het hof dat opgroeiende kinderen een moeder en een vader nodig hebben. ‘Deze tijd van opgroeien tot hun 18e jaar kunnen zij niet overdoen.’ Het hof vindt het argument van de gezondheid van de moeder en de minderjarige niet zo sterk dat ze hiervoor per se naar Zwitserland moeten verhuizen. Ook de andere argumenten vinden de rechters geen goede redenen voor die verhuizing. ‘De problemen van school, vrienden en contact met vader kunnen net zo goed in Nederland worden besproken en aangepakt. Dat kunnen de ouders samen doen en als dat niet lukt kunnen zij hierbij hulp zoeken.’ De rechters schrijven dat zij het ‘jammer vinden voor de kinderen dat zij, omdat hun ouders niet goed met elkaar kunnen overleggen, nu in zo’n spannende en onzekere situatie terecht zijn gekomen.’

Het fraaie van deze uitspraak is dat hiermee strikt de wettelijke criteria worden gevolgd, terwijl de argumenten en de taal zo uit de gereedschapskist van de pedagoog lijken te komen.