Voorbeeldige communicatie rechter met tienermoeder 

28 oktober 2017

In Nederland komen tienerzwangerschappen gelukkig relatief weinig voor. Ons land hoort al jaren tot de landen met de minste tienermoeders. Meisjes onder de 18 vallen nog onder het gezag van hun ouders. Als zij zwanger raken kunnen zij dus ook geen gezag uitoefenen over hun kind. Indien de omstandigheden zich daartoe lenen kan de rechter de 16- of 17-jarige moeder eventueel meerderjarig verklaren, zodat zij zelf in staat wordt gesteld het gezag uit te oefenen over haar baby. Vaak zijn de omstandigheden in zo’n geval echter juist van dien aard dat dat niet in het belang van de baby moet worden geacht. In plaats van vroegrijp voor haar leeftijd is de tiener dan vaak juist zelf nog echt een kind en allerminst in staat om zelf een kind te verzorgen en op te voeden. En vaak ontbreekt een stevige inbedding in het ouderlijk gezin van de tienermoeder. Hoe gaat de rechter met een dergelijke beslissing om?

Een mooi voorbeeld biedt een casus afgelopen zomer. De baby is kort na de geboorte bij de tienermoeder (V.) weggehaald en ondergebracht bij een pleeggezin. Zij mag haar kindje een maal per week een uur bezoeken. V. wil echter heel graag zelf haar dochtertje verzorgen en dient hiertoe via een advocaat een verzoek in bij de rechtbank plus een verzoek haar meerderjarig te verklaren. De rechtbank neemt de moeite om V. in kindvriendelijke taal uit te leggen waarom zij haar verzoek afwijst. Hieronder wordt vrijwel letterlijk het verslag van de zaak gevolgd.

Eerst gaat de rechtbank in op de gezinsachtergrond van V. De Raad voor de Kinderbescherming meldt dat zij uit een gezin met veel problemen komt en dat zij daarom zelf al heel lang onder toezicht staat. Haar ouders, die overigens niet op de zitting zijn verschenen, hebben hun handen vol aan hun eigen problemen en zij kunnen hun dochter daardoor niet de steun en opvoeding bieden die zij nodig heeft. Zij is ook vaak uit huis geplaatst en dan loopt ze steeds opnieuw weg en gaat ze terug naar haar ouders. V. is heel hecht met haar ouders en vindt het fijn om bij hen te zijn, maar juist omdat haar ouders zelf al veel problemen hebben, is dat volgens de Raad geen goede oplossing. In maart van dit jaar heeft de politie V. gevonden in een kelderbox. Zij was toen hoogzwanger. Zij lag onder een deken, om haar heen lagen vuilnis en etensresten en er stond een emmer met urine. Daarna is geprobeerd haar te plaatsen in een instelling, maar daar liep ze weg. Ook toen ze was geplaatst in een ‘moeder-kind huis’, liep ze weg, terwijl ze daar eerder juist zelf naar toe wilde. V. gaat ervan uit dat het moeder-kind huis zal regelen dat zij weer naar school kan gaan en dat ze woonruimte krijgt. Maar ze weet niet hoe ze school moet combineren met een baby en hoe ze de kosten voor de baby moet betalen.

Er is ook sprake van een tienervader (M.), die de baby overigens nog niet heeft erkend. Op diens positie gaat de rechtbank vervolgens in. M. is een vluchteling uit Syrië met een verblijfsvergunning voor vijf jaar. Hij kent V. uit de tijd dat hij in een asielzoekerscentrum woonde. Nu woont hij in een kleine wooneenheid met extra voorzieningen. Hij verwacht dat zijn ouders ook binnenkort naar Nederland zullen komen. Hij zit op school, doet klusjes waarvoor hij betaald krijgt en helpt vrijwillig met tolken bij de gemeente. Hij krijgt hulp om zijn zelfstandigheid te vergroten en om te leren plannen en om hulp te vragen. Hij wil graag verantwoordelijkheid nemen als vader. Hij zegt dat zijn ouders ook graag voor de baby willen zorgen. Hij maakt zich zorgen over de baby, omdat V. tijdens de zwangerschap rookte en alcohol dronk en omdat hij niet weet wie de baby gaat verzorgen en hoe hij straks contact met de baby zal hebben.

De advocaat van V. zegt dat zij erg is geschrokken van het feit dat de baby vlak na de geboorte is weggehaald. V. dacht dat ze de baby zou kunnen houden en haar zelf zou kunnen opvoeden. Zij woont sinds de geboorte van de baby bij haar oma op een camping. Zij voelt zich hier op haar plek. Zij snapt dat zij hulp nodig heeft bij het leren opvoeden en verzorgen van haar baby en wil die hulp graag krijgen. Door de geboorte van haar kindje snapt zij volgens haar advocaat dat ze zich anders moet gedragen dan eerst, toen zij steeds wegliep. Zij vindt echter dat ze helemaal geen kans heeft gekregen om te laten zien dat zij het nu anders zal doen.

De rechters geven aan dat ze goed naar iedereen hebben geluisterd en nu tot het volgende besluit komen. Bij hun beslissing is het belang van het kindje het belangrijkste. De drie rechters hebben na afloop van de zitting besproken of ze de beslissing zouden uitstellen tot nader onderzoek naar de capaciteiten van V., zoals door haar advocaat verzocht. Zij hebben echter besloten dat niet te doen. Vanwege alles wat er hierover is gezegd en geschreven vindt de rechtbank het namelijk voldoende duidelijk dat V. niet goed genoeg overziet wat het is om een baby te verzorgen en op te voeden en om beslissingen over haar te nemen. Nader onderzoek zal dat niet anders maken. De rechtbank vindt vooral de volgende dingen belangrijk. V. heeft zelf veel problemen. De manier waarop zij dingen de afgelopen tijd heeft gedaan, waren vaak niet goed voor haarzelf en voor haar baby. Als V. iets beslist, dan kan dat heel snel daarna weer veranderen. De rechtbank vindt het goed dat zij zegt dat ze de dingen nu anders wil doen. Maar juist omdat zij de dingen zo lang op een bepaalde manier heeft gedaan, denkt de rechtbank dat zij tijd nodig heeft om te leren hoe ze de dingen anders kan en moet doen. Op dit moment is de kans te groot dat ze toch dingen doet die niet goed zijn voor haar kindje.

Verder is ook nog onduidelijk hoe serieus de relatie tussen V. en M. is. Het is nu nog te vroeg om echt te kijken naar mogelijkheden voor V. en de baby bij M. en zijn ouders. De rechtbank vindt het daarom niet goed voor de baby dat V. het gezag over haar heeft. De rechtbank zal daarom ook het verzoek van haar advocaat om haar meerderjarig te verklaren afwijzen. De rechtbank begrijpt de wens van beiden goed om zelf voor hun dochtertje te zorgen en om beslissingen over haar zelf te nemen. Zij zijn tenslotte haar ouders. Deze beslissing over het gezag en de voogdij betekent niet dat zij niet meer haar ouders zijn. Zij zullen altijd de ouders blijven. Dat de voogdij nu naar een instelling gaat, betekent dus ook niet dat zij hun dochtertje minder gaan zien en ook niet dat zij nooit bij haar ouders zal kunnen wonen. De komende tijd zal iedereen die betrokken is bij hun dochtertje moeten bekijken welke rol de ouders en ook hun families in haar leven kunnen spelen. Daarbij is het heel belangrijk dat V. en M. de dingen in hun leven op een manier doen, die goed is voor hun dochtertje.