Geen verplichte DNA-afname bij kinderen, tenzij … 2

1 december 2017

Verplichte DNA-afname bij kinderen naar aanleiding van een flutdelict. Dan moet er toch ergens een vergissing zijn gemaakt! Dat zal in elk geval wel heel uitzonderlijk zijn, zoiets bizars komt natuurlijk nauwelijks voor in Nederland! Helaas, dit gebeurt in ons land de laatste jaren aan de lopende band. Het is routine geworden. Maar wel een routine waar niemand gelukkig mee is, behalve het kind, de ouders en de familie ook de politie niet, het Openbaar Ministerie niet, en de rechters niet. Ondanks die collectieve onvrede is inmiddels het DNA-materiaal van tienduizenden kinderen opgeslagen.

In een blog van 22 november werd op de beslissing van de rechtbank Limburg gewezen, die eerder die maand het bezwaar van een jongen van 14 tegen de verplichte afname van DNA-materiaal naar aanleiding van een lichte voorwaardelijke werkstraf gegrond had verklaard. De rechtbanken krijgen regelmatig te maken met zaken waar de jongere, bijgestaan door alerte ouders die een alerte advocaat inschakelen, bezwaar maken tegen deze gang van zaken. Kattenkwaad – te vroeg vuurwerk afsteken, klein vechtpartijtje, lipstick gejat in supermarkt. De meeste ouders beginnen er niet aan om een advocaat in te schakelen, ook omdat ze denken dat dat toch geen zin heeft, want ‘het materiaal is immers al afgenomen’. Maar die beslissing kan in zo’n geval in principe worden teruggedraaid, maar dan moet de rechtbank wel scherp aan de wind zeilen en precies de juridische ruimte opzoeken die zich daarvoor leent.

Hoewel de wet DNA-onderzoek van oorsprong uitdrukkelijk was bedoeld voor veroordeelden van ernstige misdrijven is dat criterium sinds 2010 losgelaten. DNA-afname is nu verplicht voor alle veroordeelden, ook voor degenen die slechts voorwaardelijk zijn veroordeeld, ook bij kleine werkstraffen en ook voor minderjarigen. Maar er is een uitzonderingsbepaling: er zal geen DNA-onderzoek plaatsvinden als het aannemelijk is dat dat ‘gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het is gepleegd’ niet bijdraagt aan het voorkomen en berechten van misdrijven van deze persoon. In 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat dit geen ruimte biedt voor een verdere belangenafweging. Dus dat het om kinderen gaat, mag volgens de Hoge Raad in het algemeen geen reden zijn om de verplichting tot DNA-afname terzijde te leggen. Het is precies deze smalle ruimte van de ‘bijzondere omstandigheden’ die de rechtbanken gebruiken om bezwaren van kinderen tegen verplichte DNA-afname naar aanleiding van een flutdelict gegrond te verklaren. Dat deed de rechtbank Limburg onlangs. Een ander zeer recent voorbeeld levert de Rechtbank Den Haag.

Een 17-jarige is veroordeeld tot vijftien uur werkstraf omdat hij samen met anderen een fiets had gepikt die niet op slot stond en bij het fouilleren bleek de jongeman een zakmes bij zich te hebben. Hij maakt bezwaar dat bij hem (geruime tijd later) celmateriaal is afgenomen. De rechtbank overweegt dat, hoewel de wet dus geen ruimte biedt voor een generieke uitzondering voor minderjarigen, de leeftijd wel degelijk een rol kan spelen. Er is geen sprake van recidivegevaar. Sinds zijn veroordeling waren er ook geen contacten meer met politie en justitie. Ook wijst de rechtbank er op dat in jeugdstrafzaken vanuit pedagogisch perspectief vaak een werkstraf wordt opgelegd, waarna afname van DNA-materiaal verplicht is. Was hij meerderjariggeweest dan zou zijn volstaan met een geldboete, wat niet leidt tot een dergelijke verplichting. Daarom concludeert de rechtbank dat sprake is van de uitzonderingssituatie waarop in de wet is gedoeld. De rechtbank verklaart de afname van DNA-profiel in dit geval dus niet van betekenis voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Daarmee wordt het bezwaar gegrond verklaard.

Niets dan lof voor deze aanpak van OM en rechtbank. Maar dit is natuurlijk niet de manier waarop het zou moeten gaan. Het is niet alleen inefficient en onnodig belastend voor het OM en de rechterlijke macht. Dergelijke bezwaarprocedures betreffen bovendien slechts het topje van de ijsberg en bieden geen soelaas voor de enorme stroom aan DNA-afnames bij kinderen. Maar het is ook principieel onjuist. Verplichte DNA-afname bij kinderen is in de meeste gevallen disproportioneel. Daarom is een omkering van de redenering nodig: alleen DNA-afname bij kinderen als het gaat om ernstige misdrijven. Het zou goed zijn als de Tweede Kamer van de bewindslieden verlangt om deze bizarre misstand aan te pakken en de wet in deze zin aan te passen.