De vechtscheiding 1: de getallen

9 december 2017

Er is brede consensus dat de vechtscheiding voor kinderen ellendig is. Het voortdurend venijn tussen hun ouders kan onder meer depressies en slechte schoolprestaties tot gevolg hebben en er zijn ook aanwijzingen dat deze kinderen later zelf meer problemen ondervinden in relaties. Maar als we een beeld proberen te krijgen van de ernst en omvang van dit fenomeen, en dus van de noodzaak dat hierbij van hogerhand wordt ingegrepen, dan blijkt dat allesbehalve gemakkelijk. Dankszij het CBS weten we een heleboel over echtscheiding, maar dat geldt niet voor de vechtscheiding. We hebben daarvan eenvoudigweg geen betrouwbare, eenduidige registratie. Gevoegd bij de niet altijd even duidelijke interpretatie van dit begrip en de emotionele lading die het bij alle betrokkenen heeft, biedt dit gemakkelijk ruimte aan overschatting, opwinding en hypes.

Scheiden raakte eind jaren zestig maatschappelijk meer geaccepteerd. De cijfers laten dan al een verdubbeling zien vergeleken bij de jaren veertig en vijftig. In dat liberaliserend klimaat voerde het centrumrechtse kabinet De Jong in 1971 een vernieuwing van de echtscheidingswet door waarmee huwelijksontbinding gemakkelijker werd. In de jaren zeventig/ tachtig steeg het aantal echtscheidingen van 10.000 naar ruim 30.000, waarna het door de jaren heen om en nabij dat aantal is gebleven. Veelzeggender is echter dat het echtscheidingspercentage sindsdien is verdubbeld. Inmiddels eindigt zo’n 40% van alle huwelijken in een echtscheiding.  En in de meerderheid van de gevallen zijn daar kinderen bij betrokken. Wat opvalt is dat nog niet heel lang geleden – eind vorige eeuw – meer scheidingen plaatsvonden zonder kinderen dan met, maar dat dit sindsdien royaal is omgeslagen. Scheiden is in de achter ons liggende halve eeuw ‘gewoon’ geworden en dat geldt inmiddels ook voor scheiden met één of meer kinderen.

In 2016 waren bijna 34.500 minderjarigen betrokken bij een echtscheiding van hun ouders. Ondanks dat dit eenvoudig te verifiëren cijfers van het CBS zijn, wordt hierover op sommige plekken onjuiste informatie verstrekt. Zo verwijst de Vereniging van Nederlandse Gemeenten op haar site naar een ‘factsheet‘ waarin wordt beweerd dat jaarlijks 55.000 kinderen te maken zouden krijgen met de scheiding van hun ouders. Intussen moet ook rekening worden gehouden met ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Deze vorm van officiële verbintenis is de afgelopen jaren snel populair geworden en inmiddels kiest 20% van de stellen hiervoor. Er zijn geen cijfers over het aantal minderjarigen dat jaarlijks betrokken is bij beëindigde partnerschappen, maar dat zullen er gezien het nog relatief geringe aantal van dit soort verbintenissen hooguit 5.000 zijn. Daarmee ligt het totaal aantal ‘scheidingskinderen’ per jaar ergens tussen de 35 en de 40.000.

Hoeveel daarvan zijn nu betrokken bij een vechtscheiding? Volgens sommigen is er sprake van een explosieve toename. Maar een heldere definitie en degelijk onderbouwde cijfers ontbreken. Volgens de Kinderombudsman ondervinden jaarlijks 3500 kinderen ernstig last van de scheiding van hun ouders. De Raad voor de Kinderbescherming komt tot een totaal van 5200 ‘conflictscheidingen’ in 2015. VWS vermeldt een aantal van 6000 kinderen die betrokken zijn bij een ‘complexe scheiding’ van hun ouders. En de Vfas stelt op basis van een telefonische enquete van Tns Nipo onder 1000 van haar leden, dat het aantal vechtscheidingen tussen 2013 en 2015 is verdubbeld ten opzichte van de cijfers van de Kinderombudsman.

In elk geval kan worden geconcludeerd dat deze schattingen onvoldoende aanleiding geven om generieke maatregelen op te leggen aan alle stellen met kinderen die uit elkaar gaan. Zolang het er naar uitziet dat de overgrote meerderheid van de kinderen in Nederland die jaarlijks betrokken zijn bij een scheiding niet te lijden heeft onder een slepend, bitter gevecht tussen hun ouders, lijkt dat onvoldoende reden om alle stellen met kinderen die uit elkaar gaan ergens toe te verplichten. Vooralsnog ziet het er immers naar uit dat de overgrote meerderheid het goed doet. Algemeen preventieve voorstellen op dit terrein lijken meer tegemoet te komen aan de behoefte van de betrokken beroepsgroep dan aan de behoeften van de kinderen die werkelijk hulp nodig hebben in hun benarde situatie.