‘Gij zult niet beschamen’

16 januari 2018

Toen ik in 2002 enkele maanden als visiting scholar en gast van de bekende criminoloog John Braithwaite aan de Australian National University in Canberra verbleef, had ik geregeld discussies met hem over zijn concept van ‘reintegrative shaming‘. Volgens Braithwaite vormde een herstelgesprek tussen dader en slachtoffer naar aanleiding van een misdrijf een heel goed alternatief voor de zitting bij de rechtbank, zeker bij jonge daders, en volgens hem draaide zo’n alternatieve procedure om reintegrative shaming van de dader.  Het is hier natuurlijk niet de plaats om uitvoerig op deze gedachte van restorative justice en mijn opvattingen daarover in te gaan, maar het is wel aardig om even stil te staan bij de notie reintegrative shaming.

Schaamte kan namelijk per definitie niet (her)integrerend werken. Schaamte sluit niet in, maar uit. Iemand die wordt beschaamd en zich ook werkelijk beschaamd voelt, wil ‘in de grond’ verdwijnen, er niet zijn, uit het zicht van anderen verdwijnen. Schaamte gaat over identiteit. En beschamen is dan ook bij uitstek riskant bij jongeren, omdat die juist volop bezig zijn met hun identiteit, op dit punt veel kwetsbaarder zijn dan jonge kinderen en volwassenen en zich vaak en gauw overmatig schamen, omdat ze zichzelf steeds proberen te bezien via de ogen van anderen die veel voor hen betekenen en willen voldoen aan wat die normaal vinden. Wat dat betreft geldt zowel voor het strafproces als voor de opvoeding dat (reintegrative) ‘guilting’, ofwel afrekenen naar (de mate van) schuld, in elk geval pedagogisch gezien veel veiliger is. Schuld gaat niet over identiteit maar over gedrag, kan worden ingelost en is daarmee eindig.

In het eerder door mij aangehaalde winternummer van De Groene Amsterdammer hield Christien Brinkgreve een pleidooi voor herwaardering van de schaamte. Ik ben het daar niet mee oneens, mits dit vergezeld gaat met de waarschuwing hier in de opvoeding vooral niet enthousiast maar juist zeer terughoudend en doordacht mee om te gaan. Schaamte is een gecompliceerd en uiterst precair en riskant instrument in de opvoeding. Zeker onder jongeren kan schaamte gemakkelijk schade berokkenen. Zo moeten we ons bijvoorbeeld realiseren dat schaamte in de meest gevallen ook de gemene kern vormt van pesten, op school, in de buurt en via internet. In feite werkt schaamte in opvoeding slechts als reserve-optie, als ultimum remedium, als iets dat men eigenlijk alleen ‘achter de hand’ heeft. Pedagogisch gezien is schaamte bijna een virtueel instrument. Een van de credo’s van de moderne pedagoog luidt (of zou moeten luiden) ‘gij zult niet beschamen’. Met dit credo worden tenminste twee zijden van dit instrument belicht. Enerzijds verwoordt het de opdracht aan het kind om zichzelf en ons – zijn ouders, familie, klas, team, achterban, partij, volk – niet te beschamen. Anderzijds verwoordt het de opdracht aan de opvoeder om zijn kind niet actief te beschamen.

Schaamte is een pedagogisch monster, dat de opvoeder als het goed is alleen van stal haalt om er verwerpelijk gedrag van anderen mee te veroordelen, als voorbeeld om beelden van genant gedrag te verinnerlijken. Zelfs als het om verwerpelijk gedrag van het kind in kwestie gaat, zal de pedagoog dit credo zoveel mogelijk in acht nemen, omdat hij zich het gevaar van beschaming realiseert. Immers, hoe kan een kind dat van zijn opvoeder te horen krijgt dat het niet deugt – in plaats van dat het een (ernstige) fout heeft gemaakt – zich in positieve zin ontwikkelen? Wat prikkelt de veerkracht in positieve richting van een kind geconfronteerd met een ouder die zich voor hem schaamt?

Het kan zeker geen kwaad om zowel licht genante als ernstig beschamende zaken met jongeren te bespreken. Daarmee kunnen we ze helpen bij het bepalen van hun morele koers, waarop Tom Kroon in reactie op mijn vorige blog over dit onderwerp doelt. Maar we willen niet terug naar de negentiende eeuw en een kind dat ons iets op de mouw heeft gespeld met een bordje ‘leugenaar’ om de nek in de klas laten zitten. In een eerdere blog en artikel in de NRC heb ik erop gewezen dat verstandige opvoeders die sterk in hun schoenen staan er goed aan doen hun kind bij de politie aan te geven wanneer het een ernstig delict heeft gepleegd.  Maar diezelfde ouders doen er fout aan als ze een dergelijke pijnlijke actie in het teken zetten van beschaming. Zo kan het ook allerminst kwaad als we met jongeren uitdrukkelijk onze afschuw uitspreken over Trumps ‘grab them by the pussy’, maar wel als we onze kinderen op dezelfde toon aanspreken als ze zelf te ver zijn gegaan en iets onfatsoenlijks of onaardigs hebben gedaan. Als het goed is en ze oud genoeg zijn hebben ze die boodschap allang verinnerlijkt. En mocht die verinnerlijking op dat moment nog onvoldoende hebben plaatsgevonden, dan kunnen we erop vertrouwen dat onze impliciete, plaatsvervangende schaamte voor hun gedrag in onze houding en lichaamstaal voor zich spreekt en wel voldoende is.