Geef de kinderrechter meer tijd

4 februari 2018

Precies vijf jaar geleden luidde de toenmalige president van de Hoge Raad, Geert Corstens, de noodklok over de werkdruk bij de rechterlijke macht. Corstens was zeker niet de eerste zwaargewicht die openlijk waarschuwde voor de productienormen en de werkdruk bij de rechtspraak. Een jaar eerder ging de procureur generaal van het parket bij de Hoge Raad hem voor, een jaar na vergelijkbare publieke uitspraken van de president van de Rechtbank Den Haag, zoals de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak dat in 2007 al had gedaan en zoals de commissie Deetman dat deed in 2006 en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad in 2004. Kortom, een jarenlang herhaalde noodkreet die ook in de jaren daarna geregeld naar voren werd gebracht en onder meer tot uiting kwam in het door velen ondertekende ‘Leeuwarder Manifest‘.

Gepland of niet, het is opvallend hoe sterk de echo van deze noodkreet van Corstens, exact vijf jaar later doorklinkt in een artikel van Folkert Jensma in de NRC van 4 februari 2018. Jensma woonde een aantal zittingen bij kinderrechters bij in Rotterdam en doet daar uitgebreid verslag van in een bijzonder mooi verhaal. Hij schrijft dat tijd onder de jeugdrechters het belangrijkste thema blijkt – in het bijzonder het gebrek aan zittingscapaciteit, met name de onmogelijkheid om zaken tijdig te kunnen afhandelen door gebrek aan rechters (en officieren), wachtlijsten in de zorg en overaanbod bij de kinderbescherming. Als van de belangrijke oorzaken hiervan wordt het feit beschouwd dat de rechtspraak financieel ‘een paar jaar “on hold” heeft gestaan’, zoals een van de rechters het uitdrukt: te weinig nieuwe mensen aangenomen en opgelegd. Werkdruk is voor de Rotterdamse kinderrechters overduidelijk een issue: ‘Je moet hier hard willen werken, iedere nieuweling ervaart dat.’

Een klein maar niet onbelangrijk onderdeel van de problematiek is een al langer slepend probleem, dat overigens eveneens alles te maken heeft met te krappe middelen, namelijk het gebrek aan tijd op zitting. De gemiddelde zittingstijd voor een jeugdstrafzaak of een ondertoezichtstelling is een half uur; voor leerplichtzaken een kwartier. Logischerwijze gaan de meeste klachten over het enorme tijdsbeslag dat het doornemen van alle dossiers en het zorgvuldig lezen van alle relevante stukken vergt, naast het bijhouden van alle nieuwe, rap toenemende nationale en internationale wet- en regelgeving. Maar ook de tijd die de (kinder)rechter heeft om een zaak op zitting te behandelen kan te lijden hebben onder werkdruk, waardoor er weinig ruimte is om zorgvuldig en rustig met ouders en kind te spreken in voor alle betrokkenen zeer spannende beschermingszaken. Daarom luidde een van de adviezen van de commissie Samson in 2012 dat de kinderrechter meer tijd per zaak zou moeten krijgen, opdat hij ruimer dan marginaal kan toetsen. En ook in strafzaken kan de tijd te kort schieten om de jongere aan het woord te laten en om de ouders – die sinds 1 januari 2011 verplicht aanwezig moeten zijn bij de strafzitting tegen hun kind – fatsoenlijk te horen, om vragen te stellen over de rapportage, om voldoende tijd te nemen voor een tolk, om bij twijfel een getuige te horen, om het vonnis toe te lichten en de tijd te nemen om op vragen in te gaan.

In ons jarenlange internationaal comparatieve onderzoek, waarvoor we ruim 3000 jeugdstrafzaken systematisch hebben geobserveerd in Nederland en 10 andere Europese landen, deden we een opvallende constatering. In de ons omringende landen heeft men hiervoor over het algemeen veel meer tijd dan bij ons. Onze rechters zijn zeer bedreven in het voeren van een echt gesprek met degenen die voor hen verschijnen, maar in Frankrijk bleek de rechter hier ruim anderhalf maal zoveel tijd voor te hebben en in Duitsland ruim tweemaal zoveel. Deze grote verschillen krijgen extra reliëf als men zich realiseert dat de kinderrechter elders de meest uiteenlopende zaken, van licht tot zwaar, krijgt voorgelegd. Vanwege de zelfstandige afdoeningsbevoegdheid van onze politie en het Openbaar Ministerie, handelt de Nederlandse kinderrechter tegenwoordig echter in tegenstelling tot elders nog slechts een vijfde van alle jeugdstrafzaken af. Die zaken hebben dan ook een ander gewicht dan de zaken die zijn buitenlandse collega gemiddeld afhandelt. De Nederlandse kinderrechter buigt zich nog vrijwel uitsluitend over de zwaarste categorie jeugdzaken, die in principe te ernstig en te complex zijn voor zelfstandige afdoening door de politie en het OM. Kortom, onze kinderrechters hebben niet alleen veel minder tijd voor de behandeling van jeugdzaken, maar zij moeten in die korte tijd ook nog eens zaken afdoen die gemiddeld aanzienlijk zwaarder zijn dan de zaken die hun collega’s in de ons omringende landen behandelen.