Rotterdamse kinderombudsman presenteert kritisch rapport over drang

27 februari 2018

De eerste evaluatie van de Jeugdwet eerder deze maand maakte onder meer duidelijk dat de rechtsbescherming van kinderen en ouders in de jeugdzorg nog veel te wensen over laat. Een aantal van de tekortkomingen op dit punt worden helder gedemonstreerd in het rapport van de kinderombudsman Rotterdam, dat deze week is verschenen – Is er nog een plekje vrij? Centraal in dit rapport staat de vraag naar de toepassing van drang in de jeugdhulpverlening in Rotterdam, de stad die zich erop laat voorstaan doortastend aan de slag te zijn gegaan in het kader van de Jeugdwet. Het rapport maakt duidelijk dat daarbij grenzen zijn overschreden en belangrijke voorwaarden verontachtzaamd.

De kinderombudsman acht drang in principe voorstelbaar in een laatste poging om gezinnen te stimuleren de problemen op te lossen en de veilige ontwikkeling van het kind te waarborgen. In Rotterdam is er, evenals in veel andere gemeenten, voor gekozen om daarvoor een afzonderlijk drangtraject te organiseren. Een jeugdbeschermingsinstelling neemt dan de regie over het gezin over van het wijkteam, omdat medewerkers van jeugdbeschermingsinstellingen in dit opzicht vaak meer expertise hebben. De kinderombudsman constateert echter ‘dat hulpverleners daarbij nogal eens te ver gaan en dreigementen gebruiken als de betrokkenen onvoldoende meewerken.’ De kinderombudsman veroordeelt dit als ‘ongepast en contraproductief. Er is dan sprake van intimidatie en zeker niet van fair play. Dat is vooral ernstig als er zware ingrepen in het gezin worden toegepast’. Dan gaat het om zaken als uithuisplaatsing, waaraan een kinderbeschermingsmaatregel en een beslissing van de rechter ten grondslag hoort te liggen. De onderzoekers signaleren verschillende zorgwekkende voorbeelden.

De kinderombudsman wijst er bovendien op dat artikel 12 IVRK de verplichting oplegt om kinderen of hun wettelijke representanten te horen bij beslissingen die hen aangaan. De huidige gang van zaken bij de melding aan en de bespreking op het Jeugdbeschermingsplein blijkt in Rotterdam volledig tekort te schieten: ‘Zo komt het voor dat jeugdhulpverleners ouders wel informeren over het feit van de melding aan het Jeugdbeschermingsplein, maar die melding inhoudelijk niet met hen doorspreken’. De betrokkenheid van de jeugdige bij de meldingsprocedure ‘laat helemaal te wensen over’. Nog zwaarwegender acht de kinderombudsman het feit dat de gemeente ouders en kinderen niet uitnodigt voor de bespreking aan het Jeugdbeschermingsplein. Gelukkig blijkt Rotterdam in dit opzicht een opvallende uitzondering ten opzichte van de rest van het land. De kinderombudsman acht het uitsluiten van ouders (en kinderen) van deelname aan het Jeugdbeschermingsplein onterecht: ‘Goede en eerlijke besluitvorming vereist dat alle betrokken partijen door het Jeugdbeschermingsplein worden gehoord, in het bijzonder de personen waarop de bespreking betrekking heeft. Een behoorlijke overheid luistert naar de burger en biedt hem gelegenheid zijn visie naar voren te brengen. Bovendien vermindert deelname de weerstand van ouders tegen verdere jeugdbescherming. De veilige ontwikkeling van het kind is daarmee gediend.’

De Rotterdamse kinderombudsman beveelt onder meer aan dat de gemeente en de jeugdbeschermingsinstellingen concrete grenzen gaan stellen bij het uitoefenen van druk op cliĆ«nten door jeugdprofessionals om intimidatie te voorkomen en dat zij erop toezien dat ingrijpende interventies, zoals uithuisplaatsingen en contactverboden – die alleen door tussenkomst van de kinderrechter mogen worden opgelegd – niet in een vrijwillig (drang)kader worden toegepast. Verder dienen de professionals een melding aan het Jeugdbeschermingsplein altijd eerst face-to-face te bespreken met zowel ouders als jeugdigen; dienen ouders en jeugdigen duidelijk te worden geinformeerd over welke partijen op het Jeugdbeschermingsplein inzage krijgen in hun gegevens; dienen ouders en jeugdigen actief te worden gewezen op de mogelijkheid van juridische ondersteuning; dienen zij voor de bespreking van een melding aan het Jeugdbeschermingsplein te worden uitgenodigd en dient het eerste intakegesprek in het kader van een drangtraject altijd face-to-face plaats te vinden met ouder(s) en jeugdige. Vandaar de titel: ‘maak een plekje vrij voor het kind en de ouders.’