Een kind in problemen zet je niet in de isoleer

18 maart 2018

Er blijken de laatste jaren steeds meer jongeren in een accomodatie voor gesloten jeugdhulp te verblijven. Deze ontwikkeling verdraagt zich slecht met het uitgangspunt van de Jeugdwet dat minder zware hulp en sneller hulp thuis of zo dicht mogelijk bij huis dient te worden geboden. Gesloten jeugdhulp dient alleen in uitzonderingsgevallen, als het helemaal niet anders kan, te worden toegepast, omdat we weten dat deze situatie voor de kinderen zelden winst oplevert. In het laatste nummer van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht wijst Mariëlle Bruning, hoogleraar Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden, op een aantal verontrustende verschijnselen waarmee deze op zich al onwenselijke ontwikkeling ook nog eens gepaard blijkt te gaan. Zo blijkt dat steeds vaker een machtiging voor deze vergaande ingreep wordt afgegeven zonder dat er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dus zonder duidelijk afgebakend juridisch kader en heldere rechtvaardiging. Dat geldt inmiddels voor een kwart van de gesloten plaatsingen.

Bruning verwijst in dit verband naar de rede van de psycholoog Peer van der Helm eind vorig jaar bij de aanvaarding van het lectoraat residentiële jeugdzorg aan de Hogeschool Leiden. Terwijl we zouden verwachten dat de kinderen in de gesloten jeugdzorg, die uit hun gezin zijn gehaald omdat ze zijn verwaarloosd, mishandeld of misbruikt, vervolgens in een zorgzame, verantwoorde en stabiele opvoedingsomgeving terecht komen, maakte Van der Helm duidelijk dat we daar allerminst op kunnen vertrouwen. Hij wees erop dat het doorgaans juist ontbreekt aan zoiets elementairs als een vertrouwde, stabiele omgeving: vier of vijf overplaatsingen zijn in de residentiële opvang heel gewoon. Van der Helm komt ook jongeren tegen die in hun leven wel twintig verschillende groepen van binnen hebben gezien. Elke keer opnieuw, soms binnen enkele maanden, vaak na een half jaar, worden net opgebouwde sociale contacten – met vrienden, groepsleiding, school – weer verbroken, maar ook contact met brussen, ouders, grootouders en andere familie wordt daarmee steeds weer opnieuw ingewikkeld. Typerend voor het gebrek aan interesse en besef van de betekenis van dit basale gegeven voor de betrokken kinderen is het feit dat instellingen verblijfsduur en overplaatsingen niet structureel bijhouden (en daar van hogerhand dus ook niet toe worden verplicht en op aangesproken).

Van der Helm vroeg ook aandacht voor de bevinding dat het regime in de gesloten jeugdzorg qua straffen, sfeer, ondersteuning en scholing nauwelijks (meer) verschilt van de jeugdgevangenissen, waar jongeren een straf uitzitten. Dit is des te wranger, als we ons realiseren dat de gesloten jeugdzorg er tien jaar geleden juist kwam om moeilijke jongeren zonder delinquent verleden niet in de gevangenis terecht te laten komen.

Een van de meest verontrustende verschijnselen wat betreft de ‘criminalisering’ van de gesloten jeugdzorg is het gebruik van de isoleercel. Vorig jaar blijkt die volgens een voortreffelijk artikel van Ilona Dahl in De Correspondent van 31 oktober 2017 in negen accomodaties voor gesloten jeugdhulp zo’n duizend keer toegepast. Van der Helm stelt dat geen enkel kind thuishoort in de isoleer. Dat zou inderdaad overal het uitgangspunt behoren te zijn. Om te onderstrepen hoe ingrijpend de ervaring van de isoleercel voor kinderen is, herinnert Bruning aan het verhaal van de achttienjarige Romy eind vorig jaar in Brandpunt. Romy vertelde onder andere dat zij nu altijd met het licht aan slaapt, omdat zij te pas en te onpas in de isoleer werd geplaatst en daar het licht nooit uitging.

Maar psychologisch en pedagogisch gezien hakt de ervaring van de isoleercel er voor kinderen nog veel dieper in. Ik denk dat we moeten concluderen dat als de gesloten jeugdzorg het niet redt zonder isoleer, dit het failliet betekent van deze vorm van residentiële jeugdzorg. Kinderen in de gesloten jeugdhulp zijn bovenal eenzaam -, denk aan de documentaire Alicia. Ze in de isoleer zetten betekent niet alleen een fysieke bevestiging van hun eenzaamheid, maar werkt psychologisch als een soort kwadratering, in elk geval als ernstige verdieping daarvan, met grote kans op blijvende psychische schade. In plaats van de gebruikelijke koude redeneringen van ‘even afkoelen, in je eigen belang’, zou de hele sector doordrongen moeten raken van het ernstig negatieve psychologisch effect van een dergelijke ingreep voor de betrokken kinderen.

Van der Helm komt op grond van gesprekken met vele jongeren in de gesloten jeugdhulp en analyse van talloze enquêtes tot de conclusie dat de regelgeving in deze sector hopeloos te kort schiet. Bruning wijst erop dat onafhankelijk toezicht op het gebruik van de isoleer in de gesloten jeugdhulp volledig ontbreekt, terwijl dat bijvoorbeeld in de justitiële jeugdinrichtingen en in de kinder- en jeugdpsychiatrie veel beter is geregeld. In feite werd deze omissie bij de introductie van de gesloten jeugdzorg door de deskundigen al geconstateerd. Na tien jaar aanmodderen met dwangmaatregelen in deze sector – en het achterwege laten van iedere vorm van evaluatie van de toepassing daarvan – is onderzoek meer dan noodzakelijk. Maar in feite naderen we inmiddels met de huidige ontwikkeling al het moment waarop moet worden erkend dat het onbedoelde ‘succes’ van de gesloten jeugdzorg in de zin van de kwantitatieve toename – met en zonder kinderbeschermingsmaatregel – tegelijkertijd het failliet van deze sector inhoudt.

Dat betekent dat de gesloten jeugdzorg toe is aan een fundamentele herziening. Daarbij gaat het er niet alleen om dat de vrijheidsbeperkingen in deze sector van meer rechtswaarborgen worden voorzien. Het betekent ook dat een diepgaande reflectie op de pedagogische kwaliteit van deze opvang noodzakelijk is. En dat kan niet zonder de erkenning dat de isoleercel niet meer thuis hoort in deze zorg. Als de gesloten jeugdzorg nog enige toekomst wil hebben en dus werkelijk enig toekomstperspectief wil bieden aan kinderen in problemen, dan dient dit historisch onding uit deze sector te worden gebannen.