Transitie laat kwetsbare kinderen tussen wal en schip belanden

20 april 2018

Misschien is er de afgelopen jaren toch iets te snel en teveel tegelijkertijd aan veranderingen op het gebied van de zorg in gang gezet? Behalve de overgang van de gehele jeugdzorg naar de gemeenten op 1 januari 2015 werden de gemeenten op dezelfde datum immers ook verantwoordelijk voor de voorzieningen op het terrein van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de voorzieningen op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarmee de gemeenten moeten bevorderen dat mensen zolang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, en voor de uitvoering van de Participatiewet, die ervoor moet zorgen dat zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk vinden. Wat de zorg voor de jeugd betreft waren de gemeenten tegelijkertijd ook net verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering van de Wet Passend Onderwijs die een betere samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs beoogt en voor de uitvoering van de herziene Kinderbeschermingsmaatregelen.

Let wel, dit alles zonder dat aan deze mega-veranderingen, zoals bijvoorbeeld in Denemarken, een ingrijpende gemeentelijke herindeling voorafging. En zonder dat er heldere wettelijke kaders voor al deze veranderingen waren ontwikkeld, laat staan dat er zorgvuldig was stilgestaan bij de onderlinge afstemming, de mogelijke fricties en ‘negatieve synergie’ tussen al deze veranderingsprocessen. Ideologie en bezuinigingsstreven vonden elkaar rond noties als ‘de zorg dichter naar de burger brengen’, ‘ontzorging’ en ‘demedicalisering’ en het idee samen op te trekken naar iets moois voor minder geld maakte, ondanks dringende waarschuwingen vanuit het veld, blind voor evidente risico’s en negatieve onbedoelde gevolgen.

Inmiddels wordt steeds duidelijker dat de gemeenten in elk geval op het terrein van de zorg voor de jeugd een veel te grote broek hebben aangetrokken (of zo men wil – vooral als het om de kleinere gemeenten gaat – aangemeten hebben gekregen), terwijl ze gegeven een drastische bezuiniging tegelijkertijd door het Rijk onvoldoende in staat zijn gesteld om hun eigen broek op te houden. Marjanne Sint, voorzitter van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ), waarschuwde eerder deze maand dat het nog jaren kan duren voordat de hulpverlening op orde is. Gemeenten vinden het lastig om de specialistische jeugdzorg ‘volwassen’ te maken, waarbij ze met name wees op de aanhoudende problemen met de financiering. Ook in de onlangs verschenen Eerste evaluatie van de Jeugdwet wordt het ontoereikend gemeentebudget uitdrukkelijk als grootste knelpunt genoemd en bij andere gelegenheden worden deze budgettaire problemen eveneens gesignaleerd. Zo blijkt het Wetsvoorstel ter wijziging van het ‘Woonplaatsbeginsel’, dat eind vorig jaar werd gepubliceerd, zelfs grotendeels gemotiveerd doordat het huidige woonplaatsbeginsel gemeenten er toe aanzet om zich te onttrekken aan de financiele verantwoordelijkheden die hen met de Jeugdwet zijn gegeven.

In de Eerste evaluatie van de Jeugdwet worden ook ernstige knelpunten geconstateerd wat betreft de inkoop van de gecertificeerde instellingen door de gemeenten, de continuiteit van de zorg en de tijdige inzet van passende hulp in het gedwongen kader. De vraag wordt zelfs opgeworpen ‘of nog voldaan is aan minimale kernverplichtingen ten aanzien van jeugdhulp voor jeugdigen, vooral voor de extra kwetsbare groepen jeugdigen.’ Dat is waarachtig iets heel anders dan de bezweringsformule van voormalig staatssecretaris Van Rijn, voorzitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein Han Noten en TAJ-voorzitter Marjanne Sint, dat ‘geen kind tussen wal en schip is beland.’

Een artikel in het laatste nummer van het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrechtmaakt duidelijk dat sinds begin 2015 in elk geval kinderen uit één bijzonder kwetsbare groep tussen wal en schip zijn beland. Dat heeft te maken met de negatieve uitwerking van genoemde knelpunten op de net herziene en eveneens in 2015 in werking getreden Kinderbeschermingsmaatregelen. Daarin draait heel veel om het nieuwe criterium van de zogeheten ‘aanvaardbare termijn’: het uitgangspunt is nu dat, indien duidelijk is dat een kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouders niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen ‘binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn’, de rechtbank het gezag van de ouders dient te beëindigen. Deze drastische ingreep is dus in hoge mate afhankelijk van de voortvarende inzet van effectieve jeugdhulp. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn is immers de periode die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Als er bij een jong kind dus een half jaar of een jaar is verstreken zonder dat ouders en kind effectieve hulp is geboden, kan de rechter tot gezagsbeëindiging besluiten, zonder dat dat noodzakelijk aan de ouders, maar juist aan het achterwege blijven van adequate hulp is te wijten.

De evaluatie van de Jeugdwet laat zien dat effectieve jeugdhulp lang niet altijd beschikbaar is en dat er regelmatig sprake is van discontinuïteit in eenmaal ingezette jeugdhulp. Deze bevindingen verdragen zich niet met het nieuwe criterium van de aanvaardbare termijn. Dit is een wrang voorbeeld van negatieve synergie, van teveel en te snel tegelijkertijd willen zonder gewetensvol naar de mogelijke consequenties te kijken.