De rol van de school bij het vermijden van criminaliteit

11 juni 2018

Sinds jaar en dag is de rol van de school bij het ontstaan en versterken van probleemgedrag een bekend onderwerp in de criminologie. Alleen al gelet op de hoeveelheid tijd die kinderen op school doorbrengen is het logisch dat criminologen van oudsher veel aandacht hadden voor de school. Zo heet een bekende criminologische studie uit 1979 Fifteen thousand hours vanwege het aantal uren dat de onderzochte jongeren in totaal gemiddeld op school zaten. In Nederland is de laatste jaren met name door Frank Weerman en collega’s veel onderzoek op dit terrein gedaan.

In ons onderzoek naar jonge veelplegers komt de rol van de school prominent naar voren. De meeste veelplegers hebben een laag IQ en dat betekent dat de school voor hen zelden een plezierige ervaring is, in die zin dat ze er geen succes aan kunnen ontlenen, hoewel dat natuurlijk zeer sterk afhankelijk is van het schoolklimaat en het type school dat deze leerlingen bezoeken. Niet makkelijk meekunnen op school en je nooit kunnen onderscheiden met mooie cijfers is tot daaraan toe als het schoolklimaat positief is en je thuis goed wordt opgevangen en als je makkelijk vrienden maakt. Het probleem bij de veelplegers is vooral dat ze thuis weinig of geen ondersteuning krijgen, dat de ouders hun handen vol hebben aan hun eigen problemen en pedagogisch zwak in hun schoenen staan en dat de kinderen zelf veelal problematisch gedrag vertonen – heel druk en ongeconcentreerd, veel opstandig gedrag, gauw kwaad en veel moeite met autoriteit, weinig vriendjes, veel ruzie met vriendjes en leerkrachten.

Het is de combinatie van laag IQ en gedragsproblemen die schoolgaan met name in het vervolgonderwijs voor veel van deze kinderen tot een kwelling maakt. De ontsnappingsroute naar spijbelen ligt voor hen al snel voor de hand. En dan volgt het bekende patroon: hangen op straat met verkeerde vriendjes, verveling, spanning zoeken. Naarmate de deur naar de straat vanuit school makkelijker en regelmatiger wordt geopend staat de deur naar de criminaliteit steeds wijder open.

Omgekeerd geldt succes op school als een kenmerkende, beschermende factor tegen afglijden naar antisociaal en crimineel gedrag. Daarom is het merkwaardig dat Sheila Adjiembaks, die op 6 juni aan de Open Universiteit promoveerde op een onderzoek naar resisters from crime de rol van de school daarbij nauwelijks aandacht geeft. Zij deed origineel onderzoek naar jongeren die zijn opgegroeid in een criminogene omgeving waarbij criminaliteit ofwel gewoon was in de kring van gezin en familie ofwel in de buurt en onder vrienden of beide, maar die desondanks zelf geen criminele routine hebben ontwikkeld. Een fascinerend onderwerp dat daarom ook de nodige aandacht in de media heeft gekregen. Maar ook een onderwerp dat zich heel moeilijk laat onderzoeken, omdat niemand graag te koop loopt met het gegeven dat criminaliteit in zijn familie of onder zijn vrienden heel gewoon werd gevonden (en wellicht nog steeds wordt gevonden). Dat voelt als verraad.

En met het gegeven dat de geschikte personen die ze graag wil spreken zelf over het algemeen niet willen en in elk geval niet met hun achtergrond te koop lopen, begint het eerste probleem. De promovenda zet een reeks advertenties op (v)mbo’s, hbo’s en universiteiten. Ze heeft 370 oproepen opgehangen in scholen van grote steden. En via die weg komt ze uiteindelijk uit bij 20 respondenten. Dat wil zeggen dat ze haar respondenten precies heeft geworven via datgene wat in de criminologie als een van de belangrijke beschermende factoren wordt beschouwd: de school.

Nu hoeft dit nog niet een heel groot probleem te zijn als het tenminste als zodanig wordt gesignaleerd en erop wordt gereflecteerd. Maar dat is allerminst het geval. Zo opent Adjiembaks haar studie met het verhaal van Sven, opgegroeid in een hoog criminele buurt, vertrouwd met de sociale codes van de straat en van dichtbij¬† ervaring met drugshandel. Sven had ondanks deze negatieve omgeving geen criminele carri√®re ontwikkeld: ‘hij studeerde aan het hbo en leidde een rustig leven’ (p.1). Vervolgens wordt Sven over van alles aan het woord gelaten en krijgt de lezer een wolk van impressies over veerkracht over zich uitgestort, maar intussen fietst de onderzoekster volledig voorbij aan het markante feit dat Sven net als haar overige respondenten kennelijk heel goed kon leren.

Verderop in haar boek worden vier verhalen van resisters gepresenteerd, waarbij precies hetzelfde gebeurt. Steven ‘presteert goed op school en voelt waardering wanneer hij zijn diploma behaalt met een succesvolle afronding van extra vakken. Iets wat nog niet eerder was voorgekomen op zijn school. Na zijn middelbare school gaat Steven studeren, bouwt aan zijn sociale relaties en krijgt hij meer en meer zijn eigen vriendenkring’ (p.151); Jerrel behaalt ‘zonder problemen zijn middelbare schooldiploma’ (p.164); Mo haalt zijn havo diploma en gaat rechten studeren aan het hbo (p.175); en Peter gaat als enige van zijn school naar de universiteit! (p. 186) Desondanks staat de onderzoekster in haar dissertatie geen moment stil bij de cruciale rol van schoolsucces van haar respondenten. Een bizarre, blinde vlek en een gemiste kans, want gegeven haar selectie was juist op dit punt enige verdieping wel aardig geweest.