Laat onze zorgenkinderen niet buiten de boot vallen

23 augustus 2018

 

Dat het er sinds de transitie slecht voor staat met de jeugdzorg is inmiddels genoegzaam bekend en ook dat dat in Den Haag vooralsnog slechts heeft geleid tot een waslijst aan goede intenties. Ondanks talloze alarmerende berichten en oproepen vanuit de GGZ, de advocatuur, noodkreten van radeloze ouders en signalen vanuit bezorgde instellingen, behandelaars, rechters en zelfs politiecommissarissen ontbreekt het in de politiek aan een besef van urgentie en blijven krachtige impulsen uit om deze negatieve maatschappelijke ontwikkeling effectief te keren. Intussen dreigen de problemen de komende jaren alleen maar te verergeren.

Bij ongewijzigd beleid zullen er over enkele jaren meer dan 100.000 medewerkers in de zorg te weinig zijn. Het UWV meldde deze week dat er nu al nauwelijks mensen te vinden zijn voor meer dan de helft van de vacatures in zorg en welzijn. Hoogleraar arbeid en organisatie in de zorg, Ronald Batenburg, zegt daarover in de NRC van 22 augustus dat de bezuinigingen in de zorg schadelijk waren voor het imago: ‘De zorg stond al bekend als zwaar werk waar je slecht voor betaald krijgt. Als er dan ook nog bezuinigd word, verlies je al snel het vertrouwen.’ Een pijnlijk detail: staatssecretaris Van Rijn, verantwoordelijk voor de bezuinigingen in de afgelopen jaren, was bij uitstek op de hoogte van dit risico voor de sector. Hij was immers voorzitter van de ambtelijke commissie die in 2001 schreef dat de wervingskracht van de publieke beroepen verbeterd diende te worden om grote toekomstige personeelstekorten te voorkomen…

Het staat buiten kijf dat de transitie en de bezuinigingen overhaast en onvoldoende doordacht zijn doorgevoerd. Batenburg wijst in dit verband op de noodzaak om bij ingrijpende bezuinigingsplannen vooraf een arbeidsmarkteffectrapportage te laten maken, waarin de gevolgen voor de werkgelegenheid worden onderzocht. Nog beter is een structurele aanpak, naar het voorbeeld de artsenopleiding, waarbij de behoefte aan toekomstige artsen nauwkeurig wordt voorspeld en bij dreigend personeelstekort tijdig actiever wordt geworven.

Het is langzamerhand algemeen bekend dat er de komende jaren eveneens gigantische tekorten in het onderwijs ontstaan. Sterker nog, die zijn inmiddels al over de hele linie voelbaar. En die tekorten pakken met name dramatisch uit als het om de zwaarste categorie gaat, het speciaal onderwijs. Daar komen die twee negatieve spiralen samen – de tekorten in de zorg, waardoor de leerlingen moeilijker, minder stabiel de school binnenkomen, en het lerarentekort in het onderwijs. Bij de kinderen die intramuraal worden opgevangen merkt de school dat de situatie minder stabiel is, doordat de groepsbegeleiding vaak bestaat uit heel jonge meiden met weinig ervaring en doordat het personeel voortdurend wisselt is het ook heel moeilijk om goede afspraken te maken. Bij de talloze kinderen die ten gevolge van de bezuinigingen ambulant worden begeleid merkt de school meer heftige gedragsproblematiek, wat de onderwijstaak er nog zwaarder op maakt.

De NRC geeft een korte reportage van het werk op zo’n school, waar 500 leerlingen met ernstige gedrags- en psychiatrische problemen zitten, van hechtingsproblemen tot autisme en agressiestoornissen. En passant wijst het verslag op een structurele weeffout in de financiering van dit onderwijs: het voortgezet speciaal onderwijs valt onder de cao voor het basisonderwijs. Daardoor krijgen docenten hier per maand in plaats van meer juist een paar honderd euro minder dan collega’s in het gewone voortgezet onderwijs, ondanks het feit dat ook zij tweedegraads zijn. Bovendien moeten ze ook nog eens meer lesgeven, namelijk 1000 in plaats van 750 uur. Als het kabinet ook maar een beetje inzicht wil tonen in het maatschappelijk belang van het werk dat op dit gebied wordt verricht, dan zorgt het voor een flinke financiële opwaardering van dit beroep, ondersteund door een campagne die uitdrukkelijk wijst op het belang om onze zorgenkinderen zo goed mogelijk richting volwassenheid te begeleiden.