Nieuw inzicht in relatie criminaliteit terrorisme

26 augustus 2018 

Van iets jatten bij AH naar vechten voor IS. Dat is zeer kort samengevat de boodschap van een net gepubliceerd onderzoek naar mogelijke verbanden tussen terrorisme en criminaliteit. Deze studie van het NSCR in opdracht van Politie en Wetenschap laat zien dat de delicten waarvan de onderzochte Nederlandse jihadisten werden verdacht vooral bestonden uit bedreiging, misdrijven tegen de openbare orde, mishandeling en winkeldiefstal. Dat betekent een belangrijke relativering van de inmiddels populaire gedachte dat degenen die worden gerecruteerd voor de jihad vooral nietsontziende gangsters zijn.

Sinds bekend werd dat de broers Abdeslam, verantwoordelijk voor de aanslagen in Parijs in november 2015, al bij de politie bekend waren als drugssmokkelaars en vervolgens bleek dat de Belgische broers El Bakraoui, die daarbij betrokken waren en die een jaar later zelfmoordaanslagen pleegden op de Brusselse luchthaven Zaventem en in metrostation Maalbeek, bekende gangsters waren, werd dit verband in die termen gelegd. Het beeld dat het om gewetenloze gangsters ging werd nog eens versterkt toen bleek dat Abdelbaki Es Satty, imam in Ripoll en het brein achter een serie gruwelijke aanslagen in Barcelona half augustus 2017 en jarenlang actief werver voor de jihad, enkele jaren in de gevangenis had gezeten voor drugssmokkel. Toen twee weken later in Kopenhagen een drugsdealer die op heterdaad werd betrapt op agenten schoot en IS deze man vervolgens als een ‘soldaat van het Kalifaat’ presenteerde en hij inderdaad behalve als drugsdealer ook als IS-propagandist actief bleek te zijn geweest, was de cirkel rond: er bestaan belangrijke verbanden tussen misdaad en terrorisme, door onderzoekers aangeduid als de Crime-Terror-Nexus. Vanaf dat moment werd de notie van de gangster jihadist snel populair.

Begin 2017 wees de nationaal coördinator terreurbestrijding, Dick Schoof, op nauwe banden tussen jihadisten en de onderwereld. De Duitse politie constateerde al twee jaar eerder dat tweederde van de ruim 600 jihadisten in Duitsland met de politie in aanraking waren geweest voordat ze naar het Midden-Oosten afreisden. Toch bleef onduidelijk of dit betekende dat het hier vooral om gewetenloze misdadigers ging. Hetzelfde gold voor België, Frankrijk en Nederland, waar het percentage bekenden van de politie onder de afgereisde jihadisten rond de 50% of meer werd geschat. Uit een analyse van de achtergronden van 79 jihadisten uit verschillende Europese landen in 2016 bleek bijvoorbeeld dat van de elf Nederlanders op die lijst slechts twee een gevangenisstraf hadden opgelegd gekregen, slechts een betrokken was bij een schietpartij en acht van hen bij kleine criminaliteit.

De recente NSCR-studie werpt hier nader licht op. Helaas zijn geen veroordelingen maar slechts verdenkingen bestudeerd, maar dat levert toch interessante bevindingen op. Allereerst blijkt dat niet alle jihadisten een criminele achtergrond hebben: van ruim een kwart van de 279 onderzochte jihadisten werden geen verdenkingen wegens delicten gevonden. En hoewel een substantieel deel – bijna 30% – vanwege 6 of meer verdenkingen als ‘bekend bij de politie’ kan worden beschouwd, stellen de onderzoekers vast dat het ook in die gevallen ‘meestal niet gaat om heel zware of georganiseerde vormen van misdaad.’ (p. 63 en 83) Dat zien we terug in de detentiegegevens: slechts bijna een kwart van de verdachten heeft in de jaren voordat zij betrokken raakten bij terroristische activiteiten enige tijd in de gevangenis gezeten (helaas is niet onderzocht hoe lang).

Gaat het nu inderdaad om personen die slechts betrokken zijn bij een winkeldiefstal en een vechtpartij of om jongemannen die al op jonge leeftijd in de criminaliteit zijn gerold, daar jarenlang mee zijn doorgegaan en op een gegeven moment overstappen naar de jihad? We kunnen op grond van deze studie in elk geval concluderen dat een belangrijk deel van de Nederlandse jihadisten bestaat uit maatschappelijk marginale figuren zonder veel perspectief, zonder startkwalificatie voor de arbeidsmarkt, met alleen lagere school, zonder werk en met een zeer laag inkomen. Hun maatschappelijk perspectief en positie vertoont kortom sterke overeenkomst met die van jonge veelplegers. Daar komt bij dat de gemiddelde leeftijd van de terrorismeverdachten 30 jaar is, de leeftijd waarop vrijwel alle jonge veelplegers al (lang) weer zijn gestopt met hun asociale levenswijze. Dat zou er in principe op kunnen wijzen dat sommigen van hen tegen hun 30e overstappen van criminaliteit als routine op deelname aan de jihad. Uit deze studie blijkt echter dat nog geen 20% van de terrorismeverdachten al in hun jeugd betrokken is geraakt bij criminaliteit. Bovendien zijn jonge veelplegers eind twintig al lang vele malen veroordeeld en hebben ze de gevangenis al meerdere malen van binnen gezien. Vanuit dat perspectief horen ze gezien hun crimineel cv misschien hooguit tot de top 10 of 5% van de terrorismeverdachten.

Ook al maken voormalige jonge veelplegers waarschijnlijk slechts een klein deel uit van de terrorismeverdachten, het is wel degelijk van belang apart stil te staan bij deze groep. Het lijkt  niet erg waarschijnlijk dat de overgang van een leven in de ‘gewone’ criminaliteit naar betrokkenheid bij terrorisme, zoals de onderzoekers in navolging van Basra en Neumann suggeren, zou worden ingegeven door een behoefte om goed te maken wat ze met hun criminele activiteiten teweeg hebben gebracht. In ons onderzoek naar jonge veelplegers zijn we dit motief om te stoppen nergens tegen gekomen. Jonge veelplegers stoppen omdat ze het criminele leven zat zijn. Zoals Raymond Paternoster en Shawn Bushway concluderen stoppen ze niet omdat ze menen dat ze daar iets bij te winnen hebben, maar omdat ze zich realiseren dat ze iets te verliezen hebben wanneer ze doorgaan. Met Julie Leibrich concludeer ik dat ze simpelweg geen gedonder meer willen en geen zenuwen meer vanwege politie en justitie en dat ze verlangen naar een rustig leven.

Waarschijnlijker – en beleidsmatig relevant – is dat de frustratie van dit verlangen naar een rustig, normaal leven – doordat ze geen werk kunnen vinden of botsen met hun baas en al snel ontslagen worden, doordat ze problemen ondervinden met hun uitkering of steeds tegen de eis van een VOG aanlopen, zich gediscrimineerd voelen, enzovoort, enzovoort, hen cynisch maakt en daarmee ontvankelijk voor recrutering voor de jihad. Maar dit is slechts een hypothese die vraagt om nader onderzoek. Om meer te weten te komen over de relatie tussen criminaliteit en gewelddadig radicalisme en vooral over de motieven van de betrokkenen is het, zoals in een literatuuronderzoek uit 2010 al werd gesteld, bovenal van belang om betrokkenen hierover zelf uitgebreid te ondervragen, zoals wij dat hebben gedaan met ons onderzoek naar de motieven van jonge veelplegers om te stoppen.