Het kinderpardon de nieuwe dividendbelasting?

7 november 2018

De manier waarop BNN-presentator Tim Hofman fractieleiders overviel met een draaiende camera en een klein jongetje voor zijn filmpje Terug naar je eige land deugt niet. Het is niet alleen te weinig stijl en te veel Rutger Castricum. Het is nog een flink graadje erger, omdat de kans groot was dat de negenjarige Nemr, die als uitgeprocedeerde asielzoeker dreigt te worden uitgezet naar Irak, door deze overvalstrategie extra zou worden beschadigd vanwege onbesuisde uitspraken van de overvallen politici.

Tegelijkertijd heeft Hofmans handtekeningenactie, die direct massale bijval kreeg, er onmiskenbaar mede toe bijgedragen dat de aandacht voor het kinderpardon, kort na ‘Lili & Howick’, opnieuw helemaal terug is op de Haagse agenda. En niet als ‘sentimenteel links idee’, zoals het een paar jaar geleden nog door een enkele zelfverklaarde ‘politieke realist’ werd weggezet. Indertijd werd daarmee overigens al opvallend voorbijgegaan aan de wens van de overgrote meerderheid van de burgemeesters.

Zes jaar geleden werd het kinderpardon na heftige discussie in de PvdA en harde onderhandelingen in het kabinet als een belangrijke overwinning gepresenteerd door Diederik Samsom en Jeroen Recourt. Kort daarop bleek dat de criteria veel te streng en te willekeurig waren en dat de uitvoering feitelijk werd geblokkeerd door de Dienst Terugkeer en Vertrek. Rhodia Maas, directeur van deze dienst, verklaarde twee jaar terug bij haar vertrek zelfs onomwonden dat zij een kinderpardon ‘heel onrechtvaardig’ vond. Zij kon dan ook tevreden terugkijken op het werk van haar dienst: nog geen 10% van de ruim duizend asielkinderen, die toen langer dan vijf jaar in Nederland verbleven en die hadden geprobeerd van de regeling gebruik te maken, had onder haar bewind een verblijfsvergunning gekregen. De truc om dit resultaat te bereiken zat en zit nog steeds in het zogeheten ‘meewerkcriterium’: ouders en kinderen moeten hebben meegewerkt aan hun eigen uitzetting om in aanmerking te komen voor het pardon; en wie meewerkt vertrekt en kan dus niet meer in Nederland blijven.

Het doorslaggevende argument voor dit perverse criterium betreft de mogelijke gevolgen: het kinderpardon zou ‘aanzuigende werking’ hebben. Voor deze stelling ontbreekt echter bewijs. Maar belangrijker is dat dit in z’n simpele eenzijdigheid een hoogst dubieus argument is. Stel je voor dat beleid alleen gerechtvaardigd zou hoeven te worden door de mogelijke gewenste of ongewenste gevolgen. Een klassieke tegenwerping in de rechtstheorie betreft bijvoorbeeld de vraag waarom we dan in onze reactie op criminaliteit behalve de delinquent niet ook diens familie zouden straffen? En waarom we dan bijvoorbeeld zouden blijven hechten aan het recht op wraking van een rechter? In een rechtsstaat gaat het juist steeds om de balans tussen (oog voor) gevolgen en (oog voor) principes. In onze wetgeving hebben talloze principes hun beslag gekregen in rechten die zelden de meest handige gevolgen voor beleidsmakers opleveren. Onze rechtsbescherming steunt zelfs geheel op deze principes. Veel van deze fundamentele principes zijn bovendien vastgelegd in mensenrechtenverdragen. Zo is Nederland medeondertekenaar van het Kinderrechtenverdrag.

De eerste kinderombudsman, Marc Dullaert, constateerde al snel dat de bestaande regeling rond het kinderpardon niet in overeenstemming was met het Kinderrechtenverdrag. Zijn opvolger, Margrite Kalverboer, heeft er van meet af aan op gewezen dat er bij de uitvoering van het pardon in strijd met het verdrag amper oog is voor de persoonlijke situatie van het kind. Zij vroeg aandacht voor dit onderwerp tijdens de formatie van Rutte III en verlangde verruiming van de voorwaarden voor het Kinderpardon en verankering ervan in de wet. Ons land is enkele jaren geleden al op de vingers getikt vanwege het feit dat het meest fundamentele kinderrechtenbeginsel – dat het belang van het kind een eerste overweging moet zijn bij alle besluiten die dit belang kunnen raken – nog steeds niet in ons vreemdelingenrecht is geïmplementeerd. Het wordt hoog tijd dat dit beginsel net als in onze kinderbescherming en in ons jeugdstrafrecht wordt erkend in ons vreemdelingenrecht.

Inmiddels gaat het om ongeveer vierhonderd ‘gewortelde’ kinderen die al ten minste vijf jaar in Nederland verblijven en met uitzetting worden bedreigd. Nog steeds dringen de burgemeesters met het oog op de toekomst van de betreffende kinderen in hun gemeente aan op een soepeler regeling. Een groot aantal ‘pardongemeenten’ heeft zich geschaard achter het motto ‘ze zijn al thuis‘. Zij hebben staatssecretaris Harbers opgeroepen met een oplossing te komen, waarbij ze duidelijk maken dat ze zelf barmhartiger zullen optreden. In de meerderheid van deze gemeenten wordt deze aanpak ook door het lokale CDA ondersteund. Binnen de Christen Unie is op dit punt inmiddels zelfs een vergelijkbare opstandige beweging als indertijd binnen de PvdA ontstaan. Uit deze hoek kwam voor de verkiezingen ook het voorstel voor een soepeler regeling.

VVD en CDA voelen hier zoals bekend niets voor. Toch ziet het ernaar uit dat dit onderwerp de coalitie zal blijven achtervolgen. Er bestaat inmiddels behoorlijke onvrede binnen de deelnemende partijen. Dit geldt zeker niet alleen voor CU en D66, maar ook voor het CDA. Rutte en Harbers wijzen tot nu toe elke aanpassing af. Als de politieke steun verder afbrokkelt, is het echter allerminst uitgesloten dat de premier ook hier overstag zal moeten gaan en na de nodige onderhandelingen een moratorium zal moeten accepteren om in de resterende kabinetsperiode van ‘het gedoe’ af te zijn.