Jeugdbescherming: op pad met een raadsonderzoeker (1)

12 november 2018

Raadsonderzoeker is een pedagogisch bijzonder uitdagend beroep. Het gaat immers om bemoeienis met opvoeding en verzorging van kinderen in gezinnen. Dat ervaren ouders en kinderen als privé en ligt dus per definitie gevoelig, temeer daar het oordeel van de raadsonderzoeker vergaande gevolgen kan hebben. Een van de spannende kwesties voor de raadsonderzoeker betreft het risico van ‘perfectionisme‘ – het gevaar dat ouders de maat wordt genomen aan de hand van een specifieke opvatting van goede opvoeding. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op kwesties met een religieuze lading, een bijzonder vrije of juist opvallend rigide opvoedingsstijl, inschattingen van een gebrek aan oog voor het kind, maar ook met verschillende opvattingen over hygiëne en uiterlijke verzorging. Onderstaand voorbeeld laat fraai zien hoe in de praktijk met een confrontatie rond dit laatste punt goed kan worden omgegaan.[*]

Vies

Een tiener die met ruzie van huis is gelopen en nu elders wordt opgevangen, meldt dat hij zich zorgen maakt om zijn jongere zusje dat nog bij zijn vader woont. Hij heeft twee klachten. Volgens hem groeit ze op in een vies huis en heeft ze oude kleren aan. Bovendien zou haar vader alleen maar dingen met haar ondernemen die hij zelf leuk vindt – vader fokt duiven, kippen en konijnen en hij neemt zijn dochter geregeld mee naar dierenmarkten.

De raadsonderzoeker kent haar eigen hang ups als het om schoon, netjes en hygienisch gaat en besluit samen met een collega op pad te gaan. Zij meldt dat vanuit haar maatstaven de zorgen van de oudere broer omtrent de viezigheid kloppen: ‘We zijn op huisbezoek geweest in een huis waar ik geen glaasje water hoefde en blij was dat ik mijn nieuwe kleren niet aanhad. Er liepen meerdere katten rond die er smoezelig uitzagen en er hing een doordringende kattengeur. Vader zelf zag er in mijn optiek ook niet heel fris uit. Dit hebben we besproken met vader. Die gaf aan dat hij inderdaad weinig tijd besteedde aan schoonmaken, maar dit ook niet belangrijk vond. Hij zei wel van plan te zijn het pad en de gang op te ruimen, maar dat kwam er steeds niet van en was ook niet erg. Hij zorgde dat er boodschappen in huis waren en om en om verschoonden zijn nog thuiswonende dochter en hij de kattenbak. Dat was zo’n beetje het huishouden dat gedaan werd. Op de vraag hoe zijn dochter hierin stond, vanuit de zorg dat ze door haar smoezelige uiterlijk en oude kleding misschien moeilijker vrienden en vriendinnen zou maken, gaf vader aan daar nog nooit zo over nagedacht te hebben. Hij ging ervan uit dat dit niet zo was, omdat hij en zijn dochter open waren naar elkaar en hij de indruk had dat ze het tegen hem zou zeggen als het haar dwars zat. Dan zouden ze er samen wat aan kunnen doen.’

Vervolgens spreken ze met de dochter: ‘In mijn optiek een leuke meid, maar die inderdaad best muf rook, wel eens naar de kapper kon en afgetrapte gympen aan had. Ik heb de dochter niet rechtstreeks gevraagd of ze vond dat ze oude kleren aan had of muf rook, maar haar wel gezegd dat haar broer zich zorgen maakt over het vieze huis waar ze in opgroeit en dat ik op huisbezoek ben geweest en mij dat kon voorstellen. Het meisje antwoordde dat het haar niet opviel.’ Net als haar vader was ze zelf ook gek op dieren en veel bezig met hun verzorging en daarom vond ze het wel makkelijk dat ze zo met haar klompen naar binnen kon lopen zonder dat iemand er iets van zei. Ze zag wel dat dat bij haar vriendinnen heel anders ging. Zij stoorde zich totaal niet aan het feit dat het vies en smoezelig was. ‘Een hele andere standaard. Vertelde over vriendinnen, school en hobby’s en leek zich op alle vlakken goed te redden. Dit werd in het telefoontje naar school bevestigd: het meisje was inderdaad niet altijd even fris, maar het leek haar niet te deren en ze had genoeg vriendinnen, zat nooit alleen. School had de verwachting dat indien het meisje er wel last van kreeg, ze dit aan zou geven bij vader of het netwerk. Van vader hadden zij de indruk dat hij dit op zou pakken, als het voor zijn dochter belangrijk bleek.’

Wat betreft de tweede klacht – wekelijks bezoek aan dierenmarkten – zegt de raadsonderzoeker: ‘Mijn zorg was erin gelegen of dit meisje dan genoeg gezien werd en met vader meeging omdat het moest of omdat het leuk was. Daarnaast vroeg ik me af of ze, als ze ieder weekend met vader mee was, voldoende contact had met leeftijdsgenootjes en ook met vrouwelijke rolmodellen. Haar moeder was uit beeld en naar mijn idee (vooroordeel) is de dierenmarkt een mannenwereld.’ Het blijkt echter dat het meisje niet altijd mee gaat en dan bij de buurvrouw of bij het gezin verblijft waar ze geregeld paardrijdt. Als ze wel mee gaat, loopt ze inderdaad soms met vader rond maar ook veel alleen. ‘”Ze is zelfstandig en redt zichzelf dan goed”, geeft vader (trots) aan. Z’n dochter zegt dat ze het fijn vindt om met haar vader op pad te zijn. Ze kent daar iedereen en iedereen let wel een beetje op haar. Vader vertelt dat zo’n marktdag steevast eindigt in het marktcafe en dat zijn dochter vanzelf bij hem komt als ze wat nodig heeft. Ook hierin lijkt de zorg vooral van anderen te komen. Het is duidelijk dat vader en dochter beiden genieten van de uitstapjes samen en zich vermaken.’

De raadsonderzoeker zegt: ‘Ik had het leuk gevonden voor de dochter dat vader wat meer aandacht voor haar zou hebben of rond een uur of 18 tegen haar zou zeggen: “zullen we wat gaan eten”, in plaats van gerust te wachten tot ze om 21 uur eens aangeeft dat ze honger heeft. Maar ook hierin lijken vader en dochter een eigen weg gevonden te hebben die zij kennen en waar zij tevreden mee zijn.’

Het is duidelijk: het raadsonderzoek wordt afgesloten met het advies af te zien van een ondertoezichtstelling. Tot slot reflecteert de raadsonderzoeker in meer algemene zin op deze casus: ‘Natuurlijk kunnen we van deze situatie nog een heleboel vinden, maar hier gaat het toch echt om kleine, zeker niet levensbedreigende zorgen die we vaker tegenkomen in het werk. Dingen die ik ‘zorgen’ noem, terwijl ze voor anderen, zoals in deze zaak, normaal zijn. Ik denk dat het niet anders kan dat werkers bepaalde waardeoordelen hebben. Wij zijn immers allemaal mensen met onze eigen achtergrond. Wel is het zaak dat we ons daar bewust van zijn en dit bespreekbaar maken en afwegen in hoeverre het werkelijk een zorg of enkel een verschil van visie is.’

[*] Ter bescherming van de privacy van betrokkenen zijn alle herkenbare elementen aangepast.