Op pad met een raadsonderzoeker (3)

Het werk van de raadsonderzoeker kent vele uitdagingen, pedagogisch, psychologisch, juridisch, ethisch. Een van de problemen waarmee de raadsonderzoeker soms wordt geconfronteerd betreft seksueel misbruik. De volgende casus laat zien hoe ingewikkeld het kan worden als de ouders het misbruik ontkennen.[*]

Seksueel misbruik door vader, moeder ontkent

Vader zit in detentie. Na verhoor van zijn twee jonge kinderen en een bekentenis is hij veroordeeld tot gevangenisstraf en behandeling vanwege langdurig agressief, seksueel misbruik van zijn dochtertje van 11. Zijn dochtertje van 9 is hiervan herhaaldelijk getuige geweest. Moeder ontkent het misbruik. De meisjes missen hun vader. De rechter maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen en verzoekt de Raad met spoed onderzoek te doen.

Het wordt de onderzoekers al snel duidelijk dat vader volstrekt ongevoelig is voor de gedachte dat zijn gedrag behalve onwenselijk en liefdeloos ook buitengewoon schadelijk is voor zijn kinderen. Hij geeft allerminst blijk van enig schuldgevoel naar zijn kinderen en ziet zichzelf vooral als slachtoffer van zijn situatie. Nadat de Raad de kinderrechter heeft geadviseerd het gezag van de vader over beide kinderen te  beëindigen, verzoekt vader om herstel in het gezag. Tijdens het raadsonderzoek maakt hij echter duidelijk dat hij nog steeds geen oog heeft voor de kinderen en dat hij er nog geen moment bij heeft stilgestaan wat herstel in het gezag bij terugkeer naar huis voor hen zou kunnen betekenen.

Is de rol van de vader op zichzelf nog tamelijk eenvoudig en ligt het advies in dit opzicht voor de hand, veel gecompliceerder is daarentegen de rol van de moeder. Na de eerste confrontatie met het verhaal van haar kinderen en de bekentenis van haar man is zij enkele dagen boos geweest en was er even een moment van twijfel over haar huwelijk, maar kort daarop heeft ze, gesteund door haar moeder en haar schoonmoeder, besloten hoe dan ook samen met hem verder te gaan. Vanaf dat moment heeft ze het misbruik afwisselend ontkend en gebagatelliseerd. Daarmee zet ze de houding voort die ze steeds heeft aangenomen, met name wat betreft het jarenlange alcoholmisbruik door haar man. De onderzoekers constateren: ‘Moeder ontkent het seksueel misbruik, is overbelast en in beslag genomen door eigen zorgen rondom de ontstane situatie en haar toekomst (…) Moeder zegt wel alles te zullen doen om haar kinderen te beschermen, maar door haar houding en beïnvloedbaarheid hebben de onderzoekers grote twijfels of moeder hiertoe in staat is.’

Bij moeder is sprake van een verstandelijke beperking en zij wordt volledig gedomineerd door vader. Ze wordt in vrijwillig kader begeleid vanuit de William Schrikker Stichting, maar ze legt de meeste adviezen onder druk van haar man gemakkelijk naast zich neer. De kinderen zijn door de jaren heen vertrouwd geraakt met dit gedragspatroon bij hun moeder en hebben hun eigen gedrag daarop afgestemd. Er treedt dan ook een typerend proces van parentificatie op, waarbij moeder voortdurend in de rol van slachtoffer kruipt en de kinderen een ouderlijke, beschermende rol ten aanzien van hun kwetsbare moeder innemen. Moeder maakt op alle mogelijke manieren duidelijk dat ze het zwaar heeft en de situatie niet aan kan, mede doordat ze ziet dat haar man het ook zwaar heeft in de gevangenis. De kinderen proberen haar te troosten, zoals ze dat gewend zijn en gaan daarbij heel ver. Moeder zegt tegen de onderzoekers dat vader gaat terugkomen op zijn bekentenis en dat de kinderen haar vertellen dat er niets is gebeurd. Haar oudste dochtertje zou tegen haar hebben gezegd ‘dat ze bij de politie een grapje heeft verteld over papa’, waarop moeder zegt dat zij hier bestraffend op heeft gereageerd. Zo worden de kinderen wat betreft hun geestelijke gezondheid meegezogen in een gevaarlijke, negatieve psychologische spiraal, waarin ze in plaats van slachtoffer zelf schuldige worden.

Dit wordt nog eens versterkt doordat de ouders en beide oma’s met het verhaal komen dat het oudste meisje – ondanks de verklaring van haar zusje en de bekentenis van haar vader – het seksueel misbruik heeft verzonnen en ‘dat zij van jongs af aan nu eenmaal al een moeilijk kind was.’ Tenslotte wordt het feit dat de meisjes aangeven dat zij hun vader missen door moeder en oma’s gezien als bewijs ‘dat er dus niks is gebeurd.’ Terecht stellen de onderzoekers: ‘Je moet als minderjarige kunnen vertrouwen op de volwassenen om je heen die de zorg- en opvoedtaken voor jou hebben. Als daar op grove wijze misbruik van wordt gemaakt door de betreffende volwassenen en je ontbeert daarbij bescherming en nadien noodzakelijke troost en geruststelling, wil dat niet zeggen dat jij je eigen ouders afschrijft of als monster ziet. Kinderen zijn buitengewoon loyaal aan hun ouders.’

Toch blijft het een zeer lastige afweging wat in dit geval het beste lijkt voor beide kinderen. Aan de ene kant is duidelijk dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd zodra vader terugkeert naar het gezin en lijkt het onwaarschijnlijk dat moeder de kinderen voldoende kan beschermen. De bedreiging voor de kinderen wordt alleen maar groter nu de onderzoekers constateren ‘dat het gezin zich langzaam sluit’ en de meisjes in de rol van schuldigen terecht dreigen te komen. Het ligt voor de hand dat vader het ouderlijk gezag niet terugkrijgt en dat beide kinderen onder toezicht dienen te worden gesteld. Maar biedt dat voldoende uitzicht op veiligheid van de kinderen? Moeten de meisjes niet uit huis worden geplaatst, zolang de ouders inzicht noch compassie met hun kinderen vertonen? Aan de andere kant is duidelijk dat de meisjes van hun vader en moeder houden en is het onduidelijk of ze een beslissing om ze uit huis te plaatsen wel zullen begrijpen en vooral of ze daar vrede mee zouden kunnen hebben. Bovendien is het nog maar de vraag of er een geschikt en liefdevol pleeggezin voor beide kinderen kan worden gevonden.

[*] Ter bescherming van de privacy van betrokkenen zijn alle herkenbare elementen aangepast.