Jeugdbescherming: op pad met een raadsonderzoeker (5)

11 maart 2019 

Na de vervolging van de gezinsvoogd van de in 2004 vermoorde Savanna werd in de hulpverlening gesproken van een ‘Savanna-effect’: jeugdbeschermers namen minder risico uit angst dat ze zouden worden vervolgd als het fout ging. Een gevolg was dat het aantal kinderen dat onder toezicht werd gesteld en uit huisgeplaatst flink toenam. Een van de dingen die opvalt in het recente onderzoek van Vers Beton en NRC naar de huidige situatie van de jeugdzorg, is dat er opnieuw een beeld naar voren komt van een angstcultuur – ‘angst om iets te missen, om een dood kind te vinden en daarvan de schuld te krijgen.’ De volgende casus laat zien hoe gezinsvoogden worstelen met deze angst en hoe raadsonderzoekers proberen daarmee om te gaan.[*]

Na een melding door buren wegens geluidsoverlast treft de politie een man en een vrouw die onder invloed van alcohol en drugs keihard tegen elkaar staan te schreeuwen, een overhoop gehaald huis en een tweeling van een half jaar oud die ligt te huilen. De politie schakelt het crisis interventieteam in. In het gesprek met de ouders blijkt dat de vader de moeder heeft geslagen. Allebei nog duidelijk onder invloed wijzen ze het voorstel van het crisisinterventie team om de tweeling tijdelijk onder te brengen bij haar moeder resoluut van de hand. Als vervolgens de ruzie tussen de ouders weer oplaait, wordt de raad verzocht een VOTS en een machtiging uithuisplaatsing aan te vragen bij de piketrechter vanwege de onveilige situatie en omdat de ouders niet willen meewerken. De piketrechter legt de VOTS en de uithuisplaatsing op; de tweeling wordt in een crisis pleeggezin geplaatst en er wordt een gezinsvoogd aangesteld.

De ouders hebben nog een ouder kind, een zoontje van vijf, maar die is op de avond van de ruzie niet thuis, omdat hij met het gezin van de zus van moeder mee op vakantie is. Als hij een week later terugkomt in Nederland, wordt met de ouders de afspraak gemaakt dat hij tijdens het raadsonderzoek met het oog op zijn veiligheid voorlopig nog even bij dat andere gezin verblijft. De ouders stemmen hiermee in.

In het raadsonderzoek komt naar voren dat de ouders geregeld ruzie hebben en dat ze bij stress vluchten in drank en drugs. De ouders geven aan dat ze onder invloed waren en niet helder konden denken, maar dat ze achteraf eigenlijk graag hadden gewild dat de tweeling naar haar moeder was gegaan. De ouders hebben echter wel inzicht in hun probleem en ze zijn allebei bezig met hulpverlening om beter met stress om te gaan. Met hun gedrag creëeren ze weliswaar niet een goed opvoedingsklimaat, maar duidelijk is ook dat ze de kinderen nooit iets hebben aangedaan. Ook informatie van andere familieleden en van de school levert op dat er geen zorgen zijn over de kinderen.

De raadsonderzoeker meent dan ook dat het jongetje van vijf weer terug kan gaan naar het gezin met hulp vanuit ambulante spoedhulp. In het multidisciplinair overleg met een gedragsdeskundige en een jurist ontstaat daarover verschil van mening. Na uitvoerige discussie wordt besloten om het zoontje voor de zekerheid zonder maatregel toch eerst nog enige tijd te laten verblijven in het gezin van de zus van moeder. Aangezien alles goed gaat wordt een maand later besloten om het zoontje te laten terugkeren naar huis. 

De gezinsvoogd van de tweeling laat merken dat zij het hier helemaal niet mee eens is. Ze is erg verbaasd en negatief over deze ontwikkeling. Ze vindt dat er nog onvoldoende beeld is van de opvoedsituatie en dat geen van de kinderen terug kan naar de ouders. De ambulante spoedhulp vermeldt echter in haar rapportage dat de ouders positief contact hebben met de kinderen, dat ze tijdens begeleide bezoeken sensitief en responsief op de kinderen reageren. Net als de raadsonderzoeker maakt de spoedhulp zich geen zorgen over de verzorging van de kinderen. Er is veel contact geweest tussen de spoedhulpverleners en de ouders; de ouders zijn betrokken, houden zich aan de afspraken en staan open voor overleg en advies. Toch durft de gezinsvoogd het niet aan de tweeling te laten terugkeren naar de ouders.

Hier zien we een voorbeeld van de angstcultuur. Die leidt ertoe dat we, zoals Hans du Prie onlangs opmerkte, ouders te weinig zelf verantwoordelijkheid laten houden en te snel hun kinderen afpakken of daarmee dreigen, in plaats van ze te verzekeren dat ze betrokken blijven en dat ze daarbij zullen worden geholpen.

[*] Ter bescherming van de privacy van betrokkenen zijn alle herkenbare elementen aangepast.