Drie forse ingrepen om de jeugdzorg te redden:

3. meer centrale sturing

28 april 2019

De versplintering van de specialistische jeugdzorg door de toegang tot de jeugd-ggz coûte que coûte, tegen alle waarschuwingen vanuit het veld, op uitdrukkelijk verzoek van de bestuurders van de grote steden mee te nemen in de decentralisering van de zorg naar de gemeenten is een gevolg van een discutabele visie op de verantwoordelijkheid van de centrale overheid. Deze ontwikkeling draagt op zijn beurt bij aan de teloorgang van het besef dat deze zorg niet primair een lokaal vraagstuk is, maar een breed gedeelde, nationale verantwoordelijkheid.Dit gebrekkig besef van nationale verantwoordelijkheidvoor onze zorgenkinderen blijkt de jeugdzorg op meerdere terreinen op te breken.

Zo ging de overgang van de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg naar gemeenten gepaard met het geloof dat er veel minder voorzieningen voor zware hulpvormenvoor kinderen nodig zouden zijn. Hulp dicht bij het gezin, daar ging het om. Sindsdien is het aantal plekken in open jeugdzorginstellingen dan ook snel afgebouwd, terwijl onderzoekers er al heel lang op wijzen dat er altijd een groep jongeren zal zijn met te heftige gedragsproblemen voor een pleeggezin of gezinshuis, bijvoorbeeld omdat ze agressief zijn. Op zoek naar opvang voor deze lastige categorie zijn de afgelopen jaren steeds meer jongeren in een gesloten instelling geplaatst. Maart vorig jaar schreven 500 jeugdrechtadvocaten een brandbrief aan het ministerie van VWS, waarin zij signaleerden dat veel te veel minderjarige cliënten onnodig lang in een gesloten instelling verbleven. Enkele maanden later wezen Unicef en Defence for Children er nog eens op dat in ons land jaarlijks, haaks op het overheidsstreven om kinderen met problemen zo veel mogelijk op te vangen in pleeggezinnen of gezinshuizen, juist steeds meer jongeren in een gesloten instelling worden geplaatst. In maart dit jaar stelde Maria de Jong-de Kruijf deze trend opnieuw aan de kaak bij de presentatie van haar promotie-onderzoek. Net als de brandbrief van de advocaten en het Jaarbericht van Unicef en DCI constateerde zij dat plaatsing in gesloten jeugdhulp geen gerichte keuze voor behandeling betekent, maar resultaat is van gebrek aan goede alternatieven. Ook zij deed een appel op de landelijke overheid. Er zou de komende jaren veel moeten worden geïnvesteerd en er zouden realistische alternatieven moeten worden ontwikkeld, waarbij de problematiek van de jongeren centraal komt te staan.

In de evaluatie van de Jeugdwet werd in bredere zin de fundamentele vraag opgeworpen ‘of nog voldaan is aan minimale kernverplichtingen ten aanzien van jeugdhulp voor jeugdigen, vooral voor de extra kwetsbare groepen jeugdigen.’ In het Actieprogramma wordt helaas niet echt ingegaan op deze vraag. Wat zonder meer de prijzen valt aan dit programma is de nuchtere weergave van de tekortkomingen van de jeugdzorg sinds de inwerkingtreding van de Jeugdwet. Er worden verschillende ‘actielijnen’ aangegeven, van betere toegang tot jeugdhulp, meer kinderen zo veel mogelijk thuis laten opgroeien en ontwikkelingskansen voor alle kinderen tot investeren in vakmanschap. Maar wat bij al die actietaal opvalt is het gebrek aan bezinning op de energie, de kosten en vooral de centrale sturingdie de beoogde verbeteringen vereisen.

Eerder had de Transitie Autoriteit Jeugd geconstateerd dat het jeugdstelsel een ‘doorwrocht door professionals gedragen kwaliteitskader’ ontbeert, waardoor een duidelijk, landelijk algemeen geldend kader ontbreekt. Inderdaad zijn duidelijke stappen op dit punt vereist om de jeugdzorg naar veilig water te loodsen. Dit geldt zeker ook wat betreft het principiele punt van de rechtsongelijkheid die sinds 2015 door de verschillende criteria die worden gehanteerd en het uiteenlopend aanbod en niveau van voorzieningen van de gemeenten in ons land net als in Denemarken kenmerkend is geworden voor ons systeem van jeugdzorg. In Denemarken heeft dit er al toe geleid dat ouders zich soms gedwongen zagen te verhuizen naar een andere gemeente, zodat hun kind daar wel de zorg kon krijgen die het nodig had. Wat dit betreft kan het geen kwaad juist eens te kijken naar heel andere landen, zoals Noorwegen en Duitsland, waar veel duidelijker wordt vastgehouden aan het principe van rechtsgelijkheid.

Symptomatisch is in dit opzicht dat de aanpak in Rotterdam, die het afgelopen jaar meermaals en recent opnieuw zeer negatief alarmerend rapport in het nieuws kwam, in meerdere opzichten afwijkt van wat elders gebruikelijk is. Terwijl bijvoorbeeld in de meeste gemeenten ouders en kind na een zorgmelding aangaande het kind worden uitgenodigd voor een gesprek met hoor en wederhoor aan de ‘beschermingstafel’, organiseerde de Maasstad dat eerste gesprek jarenlang buiten aanwezigheid van ouders en kind. Terwijl de RotterdamseKinderombudsvrouw er vorig jaar al op had gewezen dat dit niet alleen contraproductief is, maar dat ouders en kind simpelweg recht hebben op zo’n gesprek, liet Den Haag na hier corrigerend op te treden. Zo liep Rotterdam ook al ruim voor de transitie voorop met de ongebreidelde inzet van drang – waarbij kinderen zelfs zonder rechterlijke beslissing gesloten worden geplaatst! Tot wat voor misstanden dat kan leiden kwam onlangs pijnlijk aan het licht in een artikel in de NRC. Den Haag was hier al lang van op de hoogte, maar greep niet in.

Zo zou Den Haag er ook goed aan doen het voorstel van jeugdrechtadvocaat Reinier Feiner uitdrukkelijk te omarmen voor die gevallen waarin het systeem van jeugdbescherming vastloopt en kwetsbare kinderen die dringend specialistische jeugdhulp nodig hebben daarvan verstoken blijven. Feiner stelt voor dat de kinderrechter in zo’n geval een bijzondere curator aanwijst, die de opdracht meekrijgt om in het belang van het kind eventueel middels een kort geding tegen de gecertificeerde instelling of de gemeente te vorderen dat binnen een bepaalde termijn noodzakelijk geachte jeugdhulp wordt geleverd op straffe van een dwangsom.

Waar het bij al dergelijke kwesties om gaat is dat de landelijke politiek de zorgen uit het veld eindelijk serieus moet nemen. Ik heb al gewezen op de zorgelijke uitspraak van Marina Kruithof, bestuurdervan de grootste jeugdzorgregio van Nederland, dat het nog zeker tien tot vijftien jaar zal duren voordat de jeugdzorg op orde is. Haar zorgen worden in het veld breed gedeeld. Dat hier werkelijk stevige ingrepen in het systeem noodzakelijk zijn wordt nog weer eens duidelijk in enkele recente uitspraken van een andere Rotterdamse bestuurder, Hans du Prie, jarenlang bestuurder van Horizon, een van de grote aanbieders van vooral residentiële jeugdzorg: ‘We zitten gevangen in systemen die we niet wilden. In plaats van dat we kunnen nadenken over betere jeugdzorg, besteden we 80% van onze energie aan de vraag hoe we deze periode doorkomen. (…) We hebben een dodelijk systeem gebouwd. Zonder fundamentele veranderingen is het over een jaar nog veel erger. Dan voorspel ik grote ongelukken.’