Eigen Kracht maakt geen verschil

23 mei 2019

Hedda van Lieshout van de Eigen Kracht Centrale stuurt wekelijks ‘Een sterk verhaal op vrijdag’ rond. Wat me daarin van meet af aan heeft gefascineerd is dat al haar verhalen afsluiten met de totstandkoming van een Eigen Kracht conferentie (EKc) of Familienetwerkbijeenkomst. Week in, week uit probeert Van Lieshout haar lezers te overtuigen van het succes van deze aanpak door te laten zien dat er een kringgesprek tot stand komt van personen uit het netwerk van een gezin in problemen. Haar verhalen gaan nooit over de uitwerking van dit gesprek; de lezer komt nooit iets te weten over het vervolg. Of het bijvoorbeeld in een geval van kindermishandeling enkele maanden na zo’n gesprek beter gaat met de kinderen? Of de kinderen, nadat een uithuisplaatsing is voorkomen, daarna ook weer normaal naar school gaan en hun veiligheid en gezondheid sindsdien zijn gegarandeerd? En of de kinderen in het geval van een vechtscheiding enige tijd na zo’n gesprek tevreden zijn over de situatie?

Voor Van Lieshout betekent het simpele feit dat er een Eigen Kracht conferentie tot stand komt dat er sprake is van succes, net zoals de directeur van een kernenergiecentrale de afname van zijn product als succes beschouwt. Sociaal gezien zijn we echter meer geïnteresseerd in de vraag of hun producten iets bijdragen aan wenselijke maatschappelijke ontwikkelingen, laten we zeggen de kinderbescherming, of laten we zeggen het belang van het kind.

Een verrassend sterke politieke lobby heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat familienetwerkberaden ineens de wind in de zeilen kregen en breed zijn geïmplementeerd in onze jeugdzorg. De verkoop van EKc’s loopt inmiddels op rolletjes, ondanks het feit dat er van diverse kanten is gewezen op de misslagen die daarbij worden gemaakt – zie bijvoorbeeld het vorig jaar verschenen De verhuizing van de verzorgingsstaat – en op het sterk ideologische karakter van deze aanpak. Internationaal is er nog slechts een zeer gering aantal wetenschappelijk overtuigende studies over deze aanpak verschenen, maar die paar degelijke studies maken wel duidelijk dat het hoogst twijfelachtig is of deze aanpak het beweerde effect heeft. Uit die studies blijkt namelijk dat de inzet van familienetwerkberaden vergeleken met de reguliere werkwijze niet leidt tot minder meldingen van kindermishandeling, noch tot minder en kortere uithuisplaatsingen en evenmin tot eerder afsluiten van het dossier bij jeugdzorg.

Daarom is het interessant dat er vorige week, na een eerdere studie in opdracht van het WODC uitgevoerd door de afdeling forensische orthopedagogiek van de UvA, vanuit ditzelfde instituut een degelijk proefschrift hierover is verschenen. Voor deze studie heeft Sharon Dijkstra de gegevens onderzocht van 328 gezinnen die werden verwezen naar Jeugdbescherming Regio Amsterdam, waarbij de gezinnen ad random werden ingedeeld bij een experimentele groep, bestaande uit 229 gezinnen die een EKc kregen aangeboden of bij een controlegroep van 99 gezinnen waarbij dat niet het geval was. In beide groepen werd gestart met een bespreking van de gezinsmanager met het gezin hoe problemen binnen het gezin aan te pakken. Het verschil tussen de experimentele en de controlegroep zat ‘m uitsluitend hierin dat de experimentele groep een Eigen Kracht conferentie kreeg aangeboden, terwijl men in de controlegroep volgens de reguliere wijze aan de slag ging met het plan van de gezinsmanager. Waar de verhalen van Van Lieshout altijd ophouden bij de totstandkoming van een EKc, is voor deze studie juist gekeken naar het effect van een EKc op meerdere momenten daarna, dat wil zeggen 1, 3, 6 en 12 maanden later.

Deze studie werpt om te beginnen een bijzonder licht op de inspanningen van Van Lieshout om de totstandkoming van een EKc wekelijks in de etalage te zetten. Slechts in een kwart van de gevallen waarin het gezin een aanbod is gedaan voor het organiseren van een EKc resulteert dit namelijk ook daadwerkelijk in zo’n familieberaad. 60% wijst dit aanbod meteen af en bij meer dan de helft van degenen die dit aanbod accepteren komt het uiteindelijk toch niet tot zo’n beraad.  De belangrijkste conclusie is echter – net als in de internationale literatuur – dat als het tot zo’n familieberaad komt, dit niet echt iets toevoegt. Over het algemeen blijkt een EKc niet effectiever dan de reguliere werkwijze in het verbeteren van kindveiligheid en het vergroten van de ervaring van sociale steun.

Daarbij zijn twee uitkomsten betreffende het veronderstelde effect op empowerment van de gezinnen bijzonder opvallend. Ten eerste de bevinding dat de gezinnen waarin het tot een familieberaad en een familienetwerkplan kwam, zich een half jaar later niet meer maar juist minder competent voelden. Dit contrasteert scherp met de tweede opvallende bevinding, dat gezinnen die het aanbod van EKc direct of na een informatief gesprek met een EK-coördinator afsloegen, betere resultaten lieten zien op empowerment in vergelijking met gezinnen bij wie het wel tot een familieberaad kwam. Kortom, het lijkt erop dat de gezinnen die het aanbod voor een familienetwerkberaad afslaan, profiteren van de gedachte dat zij zelf invloed kunnen hebben op het hulpverleningsplan en dat de totstandkoming van een familieberaad daar eerder afbreuk aan doet dan dat dit op zijn beurt leidt tot versterking van de eigen kracht van het gezin.

Voor Van Lieshout c.s. voldoende reden om zich achter de oren te krabben. Voor de professionals op het terrein van jeugdzorg en jeugdbescherming reden om niet zozeer aan te sturen op een EKc, maar de betrokkenen vooral duidelijk te maklen dat zij zelf invloed kunnen hebben op het hulpverleningsplan. Voor de politiek meer dan voldoende reden om zich te bezinnen op voortzetting van de huidige aanpak, temeer daar dezelfde studie laat zien dat deze aanpak op de lange termijn niet kosteneffectief is ten opzichte van de reguliere werkwijze.