Kiesrecht vanaf 16 jaar?

12 juli 2019

In Italië werd na de Tweede Wereldoorlog algemeen kiesrecht met stemplicht ingevoerd. In Een dag op het stembureau beschrijft Italo Calvino hoe ziekenhuizen, inrichtingen en kloosters begin jaren vijftig door de christendemocratische partij als een vanzelfsprekend electoraal reservoir werden geëxploiteerd. In al die grote instellingen waar de kerk de scepter zwaaide werden stembureaus ingericht. Afgevaardigden van het stembureau gingen de zalen langs waar de nonnen en priesters voor de bedlegerigen een kruisje zetten, groepsgewijs werden blinden, doven, verlamden, psychiatrische patiënten en verstandelijk beperkten die konden lopen naar de stembus begeleid door nonnen en priesters die voor de hele groep een kruisje zetten of hen collectief instrueerden. Zo kon het gebeuren ‘dat een groepje het stemlokaal binnentrad terwijl ze in koor het nummer van de lijst en de naam van de kandidaat repeteerden: ‘Een, twee, drie, Quadrello! Een, twee, drie, Quadrello!‘

Het hilarisch verhaal van Calvino illustreert precies waar het bij eerlijke verkiezingen om gaat: de kiezer dient zelfstandig zijn stem uit te brengen. Daarom is het niet toegestaan om samen een stemhokje te betreden of in of rond het stemhokje te overleggen of je keuze zichtbaar te maken. Jong en oud, vrouw en man, slim en dom mogen stemmen, als ze dat maar zelfstandig doen.

In de discussie over de kiesgerechtigde leeftijd is deze cruciale notitie van het criterium van de zelfstandigheid opvallend afwezig. Dit wordt bijvoorbeeld nogal eens verward met de vraag of het brein van 16- en 17-jarigen wel voldoende is ontwikkeld om verantwoord een politieke keuze te kunnen maken. Zo zei minister Kajsa Ollongren het idee van verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd interessant te vinden omdat ‘je op die leeftijd al heel veel kan’. Politicoloog Sarah de Lange, die het voorstel van de Raad voor het openbaar bestuur (ROB) tot verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd naar 16 jaar initieerde, constateerde op zich correct dat de hersenen van 16- en 17-jarigen in situaties waarin ze een afgewogen keuze kunnen maken en daar de tijd voor krijgen goed functioneren. Echter, daar gaat het niet om bij de vraag wie kiesrecht toekomt; het draait om de zelfstandigheid.

Juristen spreken hier van ‘handelingsbekwaamheid’, ofwel in staat geacht worden om autonoom rechtshandelingen te verrichten. Dat gaat niet over begrip en intelligentie, maar over maatschappelijke zelfstandigheid, ‘op eigen benen kunnen staan’, gekoppeld aan het concept ‘meerderjarigheid’. Kiesrecht is verbonden met de notie zelfstandig als burger je leven in te mogen richten: trouwen zonder toestemming van je ouders, geen leer-/ kwalificatieplicht, zelf je geld beheren en contracten afsluiten, een bedrijf beginnen, autorijden, drank kopen etc. De Lange beschouwt het als een voordeel dat jongeren op hun 16e over het algemeen nog thuiswonen en de meesten nog naar school gaan. ‘Je kunt ze dus goed begeleiden richting de eerste keer stemmen.’ Daarbij ziet ze echter voorbij aan de kern van de kwestie, namelijk dat minderjarigen zoals het Burgerlijk Wetboek het formuleert, nog ‘onder gezag van hun ouders staan’ en dat meerderjarigen daarentegen worden geacht hun leven op eigen kracht en naar eigen inzicht te kunnen inrichten.

Uiteraard is de notie van de handelingsbekwaamheid deels fictie, omdat veel jongvolwassenen de laatste jaren pas midden twintig of later zelfstandig gaan wonen, trouwen of samenwonen en werken en omdat sommige jongvolwassenen vanwege hun kwetsbaarheid in de praktijk rond hun achttiende sowieso nog niet of nauwelijks in staat blijken op eigen benen te staan. Daarom worden op diverse terreinen individuele uitzonderingen gemaakt en wordt gezocht naar extra mogelijkheden om uitzonderingen te faciliteren. Zo is in het strafrecht de mogelijkheid gecreëerd om jeugdstrafrecht toe te passen als verdachten tot 23 jaar nog nauwelijks in staat blijken tot een zelfstandig leven. En zo wordt gepleit voor een betere toegang tot de vrijwillige voorzieningen van de Jeugdwet voor jongeren tussen 18 en 23. Vanuit dit besef ligt de overweging om de meerderjarigheid – en dus het kiesrecht – pas op 21-jarige leeftijd te laten ingaan maatschappelijk gezien eigenlijk meer in de rede dan de gedachte om het kiesrecht al bij 16 te laten beginnen.

De ROB maakt zich zorgen om de geringe verkiezingsopkomst. Vanuit die zorg beziet zij stemrecht voor jongeren als een middel om ze (later) naar de stembus te krijgen. Terecht merkt Daniëlle Hooghiemstra daarover echter op ‘dat democratie geen educatief proces is, zoals museumbezoek, maar een precair middel om macht te verdelen.’ Het is alleszins de moeite waard om na te denken over manieren om de betrokkenheid van jongeren bij de politiek te vergroten. Burgerschapsonderwijs en maatschappijleer verdienen wellicht meer aandacht. Jongerenraden zouden meer kunnen worden gestimuleerd evenals deelname aan de Nationale Jeugdraad en aan politieke partijen. Als lid van een partij kunnen jongeren zelfs al invloed uitoefenen op de standpunten van die partij. Zo zijn er nog diverse andere middelen om jongeren politiek te engageren zonder dat ze door hun ouders, leraren, nonnetjes of priesters richting het stemhokje hoeven te worden begeleid.