Behandeling jonge geweldplegers cruciaal

2 augustus 2019

Momenteel circuleert een petitie voor verhoging van de strafmaxima voor jeugdige daders van zware geweldsdelicten. Het initiatief daartoe is genomen door de ouders van drie kinderen die allen twee jaar geleden op afschuwelijke, nauwelijks te bevatten wijze zijn omgebracht door minderjarige daders – Romy Nieuwburg uit Hoevelaken en Savannah Dekker uit Bunschoten (beiden 14 jaar) en Nick Bood (16) uit Assendelft; de daders waren 14 en 17 jaar oud. Deze ouders hebben zich vorig jaar met andere nabestaanden van extreem geweld verenigd in de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (FNG). Voorzitter is Jack Keijzer, wiens 16-jarige zoon in 2007 op monsterachtige wijze is omgebracht door twee (volwassen) daders. Eerder richtte Keijzer samen met Joost Eerdmans en Martin Roos het Burgercomité tegen Onrecht op. De petitie, die inmiddels ruim 70.000 maal is ondertekend, beoogt de jeugddetentie te verlengen van maximaal 1 naar 2 jaar voor 14- en 15-jarigen en van maximaal 2 naar 5 jaar voor 16- en 17-jarigen.

De initiatiefnemers willen hun voorstel in september voorleggen aan de vaste Kamercommissie voor Justitie. Naar aanleiding van een pleidooi van mij voor een stevige aanpak van jonge veelplegers in Trouw eind vorig jaar nodigde Keijzer mij uit dit voorstel te steunen, in de hoop daarmee sterker te staan richting de politiek. Hier is sprake van een misverstand. Ik heb sympathie voor de belangenbehartiging van slachtoffers en ben jarenlang als adviseur betrokken geweest bij Slachtofferhulp Nederland wat betreft de organisatie van slachtoffer-dadergesprekken. Er dient veel meer aandacht te komen voor kwesties die voor slachtoffers en nabestaanden vaak uiterst belastend zijn, zoals terugkeer van daders naar hun oude omgeving, waarbij deskundig begeleide gesprekken tussen slachtoffers en daders overigens een belangrijke rol kunnen spelen. Maar ik zie niets in verhoging van de strafmaxima voor minderjarigen.

Om het kennelijke misverstand naar aanleiding van mijn pleidooi voor een robuuste aanpak van hardleerse jonge veelplegers uit de wereld te helpen en om toe te lichten waarom ik (en mijn collega-deskundigen op het terrein van het jeugdstrafrecht) het voorstel van de FNG niet kunnen steunen, zal ik allereerst ingaan op het typerende onderscheid tussen jongvolwassen veelplegers en minderjarige moordenaars. Daarbij zet ik beide groepen schematisch af tegen de doorsnee minderjarige delinquent. Om met de laatste te beginnen: kenmerkend voor de ‘gewone’ of veel voorkomende jeugdcriminaliteit is het feit dat het om leeftijdsspecifiek experimenteergedrag gaat, ondoordacht, spontaan, onder invloed van leeftijdgenoten: zwartrijden, iets jatten uit de supermarkt, iemand uitschelden of bedreigen, vechten, te vroeg vuurwerk afsteken. Het gaat overwegend om de kick. De overgrote meerderheid van de jeugd maakt zich hier wel eens aan schuldig; de pakkans is uiterst gering. Daarmee hebben we ook precies het onderscheid te pakken met het anti-sociale gedrag van de kleine groep jonge veelplegers. Hoe dom vaak ook in de opzet en de uitvoering, daar is weinig ondoordacht en spontaan aan. Criminaliteit is voor de jonge veelpleger alledaagse routine, zijn alternatieve bron van inkomsten, die zo nodig gepaard gaat met geweld. En dat ze geregeld worden opgepakt wordt beschouwd als ‘risico van het beroep’.

Bij de jeugdige moordenaars van Romy, Savannah en Nick zien we daarentegen niets terug van het routineuze handelen dat kenmerkend is voor de jonge veelpleger. Typerend is juist het eenmalige excessieve gewelddadig gedrag. En het solistisch optreden, het volledig ontbreken van de ‘gezonde’ invloed van leeftijdgenoten. Wat we naar verhouding vaak tegengekomen bij dergelijke zaken zijn eerdere signalen van gedragsproblemen. Dat zien we bijvoorbeeld als het wraakacties betreft zoals bij de 16-jarige Murat D. die in 2004 op school zijn conrector doodschoot. In dergelijke gevallen legt de rechter standaard naast jeugddetentie een PIJ-maatregel op, of zoals in het zojuist genoemde geval volwassen strafrecht plus TBS. Dat betekent dat de jongere een intensieve behandeling ondergaat in een gesloten jeugdinrichting. Gemiddeld duurt zo’n behandeling 3,5 jaar, maar het kan ook veel langer duren, aangezien de maatregel kan worden verlengd tot maximaal 7 jaar. Vanaf volgend jaar is het bovendien mogelijk om de PIJ-maatregel in uitzonderlijke gevallen om te zetten in TBS voor volwassenen.

Jack Keijzer schrijft in zijn mail aan mij: ‘Ik meen te weten dat rechter best vaak de maximale straf opleggen aan genoemde leeftijdsgroepen. Je zou dan haast denken: zouden de rechters soms ook niet denken “kon er nog maar een jaartje bij”.’ Dat is onjuist. De kinderrechter legt zelden de maximale detentiestraf op; die wordt gereserveerd voor ernstig ontsporende jonge recidivisten. Noch bij first offenders, noch bij jongeren betrokken bij moord- en doodslag voelt de rechterlijke macht behoefte aan ‘een jaartje erbij’. De Nederlandse rechter is zich ervan bewust dat als vanwege de persoon van de verdachte een ingrijpende sanctie noodzakelijk wordt geacht, de PIJ-maatregel daartoe aangewezen is, zoals dat ook bij de jonge moordenaars van Romy, Savannah en Nick is gebeurd.

Opvallend is dat terwijl de PIJ-maatregel net als de TBS bij volwassenen door de verdachten doorgaans het meest wordt gevreesd en van hun kant vaak alles wordt geprobeerd om zo’n maatregel te voorkomen, de initiators van de petitie de PIJ als irrelevant beschouwen en zich uitsluitend richten op de duur van de detentie. Een of twee jaar jeugddetentie noemen ze ‘een lachertje.’ Ze ervaren dat als gebrek aan genoegdoening. En daar hebben ze helaas gelijk in. Maar ons strafrecht, en bij uitstek ons jeugdstrafrecht, richt zich maar betrekkelijk op vergelding of genoegdoening voor de nabestaanden. Ten eerste omdat de behoefte aan genoegdoening bij nabestaanden in geval van moord, zeker van een kind, in principe ‘onverzadigbaar’ is. Een of meer jaar extra levert allesbehalve voldoende genoegdoening en maakt het leed van de nabestaanden er niet minder op. Ten tweede omdat vanaf de introductie van een apart jeugdstrafrecht begin vorige eeuw is besloten dat bij minderjarigen rekening moet worden gehouden met hun onvolledige verantwoordelijkheid en met hun perspectief op een tweede kans. Bovendien weten we inmiddels dat langer straffen allerminst beter uitpakt.

De exclusieve focus van de petitie op de detentietijd is buitengewoon jammer, niet alleen omdat daarmee voorbij wordt gezien aan het maatschappelijk doel van de maatregel, namelijk werken aan een uiteindelijk veilige terugkeer van de veroordeelde naar de samenleving. Minstens zo belangrijk is dat de FNG daarmee ook voorbij ziet aan het belang dat nabestaanden zelf kunnen hebben bij een intensieve behandeling van de jonge dader. Een dergelijke behandeling schept immers de kans op erkenning en besef van de kant van de jonge dader van de immense gevolgen van zijn daad, van de impact voor de nabestaanden en bijvoorbeeld van zoiets als de voor hen onverdragelijke terugkeer van de dader in hun dagelijkse omgeving. Daarmee opent de behandeling in het kader van de PIJ ook voor de nabestaanden het perspectief om tot een zekere aanvaardbare omgang met het enorme verlies van hun dierbare te komen.