Geen minderjarigen in de politiecel

31 januari 2020

Minderjarige verdachten moeten zo min mogelijk worden vastgehouden in een politiecel. Dat stelt de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) in zijn recente advies aan de minister van Justitie en Veiligheid en de minister voor Rechtsbescherming. Sinds jaar en dag wijzen advocaten en Defence for Children op misstanden wat betreft het vasthouden van kinderen op het politiebureau. In tegenstelling tot de meeste omringende landen bestaat op dit punt in ons land nog steeds geen aparte regeling. Vanaf twaalf jaar kunnen minderjarigen die verdacht worden van een misdrijf of overtreding in een politiecel worden vastgezet in afwachting van verhoor. Bij zwaardere misdrijven kunnen ze daarna net als volwassen verdachten maximaal drie dagen ‘in verzekering worden gesteld’. Dit raakt veel kinderen: in 2018 verbleven ruim 21.000 minderjarigen enige tijd in een politiecel en werden ruim 4.500 daar zelfs een of meer dagen opgesloten.

Zijn dit dan allemaal serieuze criminelen? Allerminst, het gaat overwegend om de gewone jeugddelicten: een vechtpartij, iets gepikt uit de supermarkt, iets vernield. Die kinderen verblijven in dezelfde cellen als volwassenen en worden soms geconfronteerd met dronken, gestoorde of geweldadige volwassen verdachten. Nog in 2011 stelde toenmalig staatssecretaris Teeven in reactie op het rapport van Defence for Children, Een nachtje in de cel, dat de wet niet hoefde te worden aangepast. Minister Opstelten vond de tijd die minderjarige verdachten in de politiecel doorbrachten helemaal niet te lang en hij zag evenmin reden om de wet aan te passen.

Zoals echter meermaals van diverse kanten aangegeven was die reden er wel degelijk en is die er nog steeds. Ruim 30 jaar nadat het Internationaal verdrag voor de Rechten van het Kind door de Verenigde Naties is aangenomen en vervolgens door ons land geratificeerd en 10 jaar nadat de Raad van Europa de Rules on Childfriendly Justice heeft aangenomen, kan Nederland niet langer doen alsof er op dit punt geen vuiltje aan de lucht is. Net als in andere beschaafde landen dient er een aparte regeling voor minderjarige verdachten te komen. Een minderjarige verdachte van een flutdelict zet je niet in een cel. Die lever je thuis af met een vermaning in het bijzijn van de ouders of laat je op het bureau door de ouders ophalen, waar kind (en ouders) eveneens een vermaning van een politieagent in vol ornaat mogen incasseren. Gaat het om een verdenking van een iets zwaarder delict, dan dient de jeugdige zich de volgende dag met een advocaat te melden op het politiebureau. Vasthouden in een politiecel past alleen bij een serieuze verdenking van een ernstig misdrijf zoals een overval en gebruik van wapens en dan hebben we ook vrijwel altijd te maken met een bekende van de politie.

Ook vanuit het oogpunt van efficiëntie, kunnen vragen worden gesteld bij het vasthouden van kinderen op het politiebureau. Dient een organisatie die voortdurend menskracht tekort komt om alle aangiftes in behandeling te nemen en om voldoende tegenwicht te bieden aan de zware en georganiseerde criminaliteit niet efficiënter om te gaan met de vervolging van kattenkwaad? Uit zelfrapportages weten we al heel lang dat de meeste kinderen wel eens een of tweemaal over de schreef gaan, maar dat er maar heel weinig daarvoor worden gepakt. Om al deze redenen was dan ook nog niet zo lang geleden een terughoudende opstelling bij politie en Openbaar Ministerie gebruikelijk als het ging om opgepakte jongeren. De afgelopen decennia is daar van hogerhand nogal wat verandering in bewerkstelligd. Met de sluiting van veel bureaus Kinderpolitie sinds de jaren zeventig is het jeugdspecialisme onder druk komen te staan. Dit sneuvelde definitief bij de ingrijpende reorganisatie van de politie in 1994, waarbij de gedachte leidend werd dat politiemensen algemeen inzetbaar moesten zijn. Deze ontwikkeling sloot naadloos aan bij de verharding die het jaar daarop onmiskenbaar is opgetreden met de herziening van het jeugdstrafrecht.

Toch is sinds kort een verheugende trend in omgekeerde richting te zien. Sinds 1 december 2017 is namelijk een nieuwe Richtlijn strafvordering jeugd van kracht. Daarin is uitdrukkelijk vastgelegd dat eenvoudige en lichte strafbare feiten door de politie (weer) door middel van een reprimande buiten het justitiële circuit kunnen worden gehouden. Ook bij de politie en het OM bestond onvrede met de praktijk op dit punt en daarom is de afgelopen periode op verschillende plekken energie gestoken in deze benadering. Zo worden kinderen in Twente en IJsselland al sinds voorjaar 2019 niet meer opgesloten voor kleine vergrijpen. De politie bespreekt de zaak met de minderjarigen en levert ze volgens klassiek recept thuis af. Geen van de kinderen ging daarna opnieuw in de fout en het scheelt de politie veel tijd.

Het recente verzoek om advies wat betreft minderjarige verdachten en de politiecel past helemaal in deze trend. Na vragen uit de Kamer, mede naar aanleiding van een column van journalist Toine Heijmans vorig jaar in de Volkskrant waarin hij verslag deed van het feit dat zijn 13-jarige zoon 6,5 uur lang in een politiecel was vastgehouden vanwege het stelen van een pak koekjes, zag het derde kabinet Rutte zich genoodzaakt de RSJ hierover om advies te vragen. En deze Raad kwam uiteraard met een advies om de bestaande praktijk, waar volgens eerdere bewindsmlieden niks mee mis was, fundamenteel te herzien. Minderjarige verdachten moeten niet meer in een politiecel worden opgesloten. Zij mogen alleen in uitzonderlijke gevallen worden vastgezet, bijvoorbeeld als ze een direct gevaar voor zichzelf of de samenleving vormen. Zij moeten een politieonderzoek thuis kunnen afwachten.