Vom Kinde aus: lekker leren lezen

9 februari 2020

De laatste jaren neemt de laaggeletterdheid in Nederland schrikbarende vormen aan. Een op de vier middelbare scholieren heeft moeite met lezen en schrijven. Recent blijken de leesprestaties van 15-jarigen opnieuw afgenomen. Volgens de nieuwste PISA-studie is de leesvaardigheid van deze leeftijdsgroep nergens zo hard achteruit gegaan als in ons land. En parallel daarmee blijkt het plezier in lezen rond de veertien/ vijftien jaar nergens zo laag als hier: bijna de helft van deze leeftijdsgroep vindt lezen saai en niet leuk.

Sommigen wijzen in dit verband op het feit dat kinderen tegenwoordig veel op hun mobiel zitten. Maar dat gebeurt overal en dat kan de opvallende achteruitgang van lezen en leesvaardigheid in ons land dus niet verklaren. Eigenlijk weten we al heel lang waar die relatief sterke achteruitgang in Nederland vooral mee te maken heeft. Dat is precies de samenhang tussen leesvaardigheid en leesplezier: ons leesonderwijs is inderdaad saai geworden. Als in groep drie en vier met ‘technisch lezen’ wordt begonnen, gaat er voor veel kinderen al gauw de lol af. Daarom zijn initiatieven die juist op dit punt gericht zijn essentieel: neem de aandacht van de kinderen tot uitgangspunt, denk vanuit het kind en de ontwikkeling van de kinderlijke interesse en stimuleer hun actieve toe-eigening van de taal door lezen en voorlezen, taalspelletjes, etcetera.

Half december wees ik op een inspirerend voorbeeld dat basisschooldocent Iris Akkerman in een podcast van Jan Jaap Hubeek geeft. Zij organiseert het leren lezen en schrijven in groep 3 op basisschool de Achthoek in het oostelijk havengebied in Amsterdam helemaal vanuit de belevingswereld van de kinderen. De meeste kinderen op haar school zijn van huis uit niet vertrouwd met lezen en schrijven. Ze kiest daarom steeds een thema, waarbij ook de ouders op een vanzelfsprekende en laagdrempelige wijze betrokken worden, rondom iets wat de kinderen mooi, leuk of spannend vinden, een kunstwerk, een dier, een kringloopdag of een feestdag waarop de kinderen onder andere hun eigen verhalen voorlezen. In deze aanpak – door de school adequaat aangeduid als ‘ontwikkelingsgerichtonderwijs’ – zien we een eigentijdse, creatieve invulling van het kernprincipe uit de Reformpedagogiek om ‘vom Kinde aus’ te werken. Kenmerkend voor zo’n uitgekiende manier van werken gericht op de interesse en ontwikkeling van de kinderen is dat het heel veel van de docent en van de school vraagt: veel extra tijd, uitgebreide voorbereiding, een scherp oog voor de verschillende interesses van de kinderen en behoorlijk wat durf en creativiteit.

Op verschillende plaatsen zien we de aandacht voor de cruciale rol van de docent in het basale lees- (en reken)onderwijs terugkeren. Hilde van Eldonk, directeur van basisschool De Regenboog in Schaijk, gaat zelfs zover dat ze als motto voor goed leesonderwijs kiest voor ‘Niet de leerling, maar de leraar centraal.’ Want, zegt zij, ‘pas als die zijn werk goed kan doen, kan de leerling leren.’ Haar school is enkele jaren geleden overgestapt op de Expliciete Directe Instructie-methode en de docenten besteden nu meer tijd aan technisch lezen. Deze methode, ontwikkeld door John Hollingsworth & Silvia Ybarra, is de laatste jaren op diverse scholen populair. Ook op basisschool De Witte Vlinder in de Arnhemse achterstandswijk Geitenkamp is hiervoor gekozen: de leraar geeft instructies en doet het voor, de klas herhaalt, en herhaalt, en herhaalt. In dat opzicht is het een variatie op ouderwets stampen, zoals de intern begeleider op De Witte Vlinder aangeeft. Toch zien we hier ook een docent aan het werk die tegelijkertijd wel degelijk zijn best doet om in te spelen op de interesse van de leerlingen, in dit geval van groep vijf. Meester Berrie van den Bovenkamp probeert het lezen leuk te maken door ze om de beurt te laten voorlezen en de anderen tips te laten geven. Hij organiseert ook wekelijkse battles: wie het snelst 48 woorden hardop kan lezen wint.

Voor de korte termijn kan dat op die leeftijd zeer waarschijnlijk voor een aantal leerlingen motiverend zijn. En misschien appelleren de battles op die leeftijd wel in het bijzonder aan het leesplezier van veel jongens, die over het algemeen opvallend lager lijken te scoren op leesvaardigheid dan meisjes. Maar voor het lange termijn perspectief van het vasthouden van de leesinteresse en het daarmee vergroten van de leesvaardigheid richting het echte lezen – begrijpen, evalueren, reflecteren – is dat stampen uiteraard volstrekt onvoldoende. En juist op die onderdelen scoren Nederlandse scholieren opvallend slecht. Dat heeft volgens Anna Bosman, hoogleraar pedagogiek aan de Radboud Universiteit, alles te maken met het feit dat begrijpend lezen als een apart vak wordt gezien. Zij wijst erop dat begrijpend lezen direct samenhangt met kennis. Begrijpend lezen zou dan ook moeten worden geïntegreerd in andere vakken zoals geschiedenis, aardrijkskunde en biologie. En wat minstens zo belangrijk is, dat is dat er op school wordt gepraat over wat de kinderen net hebben gelezen, dat er zeker tot en met de laatste klas van de basisschool met liefde wordt voorgelezen en dat er een royaal voorziene schoolbibliotheek is, niet verdrongen door de mediatheek met uitsluitend computers.

De kunst is leesvaardigheid en leesplezier te laten meegroeien met de ontwikkeling van het kind. Daarom lijkt het niet verstandig om te pleiten voor het centraal stellen van de leraar in plaats van de leerling. Terecht stelt Bosman dat leerkrachten veel te veel moeten: ‘Een themales over obesitas, een uur klimaatles per week. Stop daarmee!’ Onderwijs moet terug naar de basis – kinderen op een goed niveau leren lezen en rekenen. En daar moeten de leerkracht en de school als geheel de gelegenheid toe krijgen. Maar wel met als uitgangspunt om steeds aansluiting te zoeken bij de interesse en het plezier van de kinderen. Anders vinden ze lezen op hun 15e gegarandeerd vervelend en stom.