Jongeren en messen 2

9 maart 2020

Wat is er aan de hand? Op 23 februari steekt een 18-jarige in Alphen aan de Rijn een jongen van 16 dood en worden nog eens drie mensen gewond. De volgende ochtend houdt de politie in Rotterdam twee 16-jarigen aan op verdenking van betrokkenheid bij een steekincident bij metrostation Graskruid, waarbij twee jongens van 18 en 17 ernstig gewond raken. Dezelfde middag raakt iemand in Santpoort in Noord-Holland zwaargewond als gevolg van een steekpartij op een school voor praktijkgericht onderwijs. Enkele dagen later meldt de politie dat in Hulst, Zeeuws-Vlaanderen, een baldadige jongen die door een buschauffeur was gesommeerd de bus te verlaten, de chauffeur met een mes heeft aangevallen. Een dag later houdt de politie in Hoofddorp een 19-jarige aan die tijdens een huisfeestje drie mensen heeft neergestoken. Op 4 maart wordt een minderjarige in Diemen door twee jongens aangevallen met een machete. Een dag later wordt in Rotterdam op metrostation Alexander een man ernstig door messteken gewond na een ruzie met twee jongens van 17 jaar.

Er lijkt sprake van een geweldsgolf onder de jeugd. In de media gaat de aandacht vooral naar hoe het probleem zich voordoet op scholen. Zo verscheen dit weekend een uitgebreid artikel in De Volkskrant over de situatie op het Bindelmeer College in de Amsterdamse Bijlmer. De directeur vertelt dat de leerkrachten zien dat het geweld en de onveiligheid in de buurt en op de school razendsnel is toegenomen. Twee jaar geleden werd op luttele afstand van de vmbo-school een 19-jarige rapper door een leeftijdgenoot doodgeschoten. Vorig jaar werd enkele straten verderop een andere jonge rapper, oud-leerling van de school, met een machete vermoord door een leeftijdgenoot. Die moord werd gefilmd en verscheen vervolgens op Snapchat. Als wraak werd het 13-jarige stiefbroertje van de vermoedelijke moordenaar, dat hier ook op school zit, op een dodenlijst gezet.

In de eerste maanden van het schooljaar hebben de docenten dertig messen afgepakt en waren er tenminste veertig incidenten rond de school, van leerlingen die op straat andere leerlingen met geweld dwongen hun merkschoenen af te staan tot leerlingen die drugs dealden. De directeur ziet de belangrijkste verklaring hiervoor in de uitzichtloosheid die de kinderen in deze buurt aan de rand van de Arena volgens hem ervaren: ‘Je wil deel uitmaken van een groter geheel, maar je krijgt de kans niet. Sociale media versterken die gevoelens en geweld is een van de uitkomsten.’ Criminologen herkennen in deze visie de zogeheten spanningsbenadering die midden vorige eeuw werd gelanceerd door de socioloog Robert Merton.

Het is fantastisch om te zien hoe het docententeam van deze school zich inzet om het tij te keren, van de dansdocent tot de leerlingbegeleider en de gymleraren. Zo constateren zij ook dat veel van hun leerlingen thuis geen ontbijt krijgen en daarom willen zij voor die kinderen op school het ontbijt organiseren. De directeur formuleert hun uitgangspunt als volgt: ‘Bouw vertrouwen op. (…) Maak duidelijk dat jij wil dat zij iets willen met hun leven. Begeleid ze daarin en stop er veel tijd in. Versterk het zelfbeeld.’ Leerlingen hebben bijvoorbeeld de privételefoonnummers van docenten en ze mogen ze altijd bellen. Dit is pedagogisch gezien een prima basishouding en het is mooi als die wordt gedeeld door het hele onderwijsteam.

Onlangs verscheen in de NRC een fraai artikel over een vergelijkbare insteek op een praktijkschool in Rotterdam. Net als in de Bijlmer spelen hier armoede en verwaarlozing een grote rol. Ook hier signaleert de directeur dat er leerlingen zijn die er alles aan moeten doen om overeind te blijven, die zonder eten naar school komen of die dagenlang met vieze kleren rondlopen. In dat laatste geval kunnen leerlingen hun kleren op school wassen; achter in het zorglokaal staan wasmachines. Hoewel een vergelijking lastig en wellicht niet helemaal fair is, lijkt het Rotterdamse Praktijkcollege Centrum in sommige opzichten al een stuk verder. Het krijgt ook al jaren uitstekende beoordelingen van de onderwijsinspectie, die vaststelt dat de leerlingen de school ervaren ‘als een plaats waar je gezien en gekend wordt.’ Ook hier staat vertrouwen in de leerling voorop. En ook hier hebben de leerlingen 06-nummers van leraren. Typerend is ook dat één of twee maal per jaar huisbezoek bij elke leerling wordt afgelegd en dat het aantal uren van het ondersteuningsteam, onder wie een orthopedagoog, een maatschappelijk werker en een schoolverpleegkundige, is verdubbeld. In alle lokalen hangen duidelijke regels, zoals ‘wij leveren onze telefoons in aan het begin van de les’. Oortjes gaan uit, petten af en energiedranken zijn in school niet toegestaan. Het aantal geweldsincidenten op deze school nam de afgelopen jaren niet toe, er waren geen wapens of drugs op school en het aantal schorsingen bleef de afgelopen jaren gelijk. De keukenmessen, hamers en beitels hangen in open kasten in de lokalen. Een nieuwe stap in de aanpak van het Praktijkcollege Centrum betreft een toename van gesprekken over leerlingen met diverse externe partijen. Leerlingen mogen nu ook zelf vertellen waar ze hulp bij nodig hebben.

Op dit punt lijkt er een belangrijk verschil met het Bindelmeer College. Daar staat men juist uitgesproken negatief ten opzichte van de inbreng van ‘goedbedoelende’ externe partijen, die volgens de directie ‘de leefwereld van de wijk niet doorgronden.’ Enerzijds wordt erop gewezen dat zo’n 30% van de leerlingen in het eerste jaar intensieve en langdurige traumahulp nodig zouden hebben. Anderzijds benadrukt de directeur dat de buurt het zelf moet doen, ‘met de school als voortrekker’, zoals het wordt geformuleerd in het document De Droom waarin de school haar toekomstvisie heeft neergelegd. Alle gebruikelijke interventies mogen wat de directeur betreft weg. Gemeentelijke diensten, de welzijnssector en de stakeholders noemt hij ‘uitvreters’ en ‘haaien’. ‘De kinderen hebben alleen nog maar binding met deze school. Niet met de politie, ook niet met het jeugdhonk, want dat is in no time weer weg.’ ‘Justitie, politie – ze doen niks’, verzucht een van de docenten die zelf in de buurt is geboren en getogen.

De frustratie bij de docenten over het gebrek aan adequate ondersteuning van de kant van politie en justitie is begrijpelijk. Zo concludeert ook de Stichting School en Veiligheid dat er de afgelopen jaren gaten zijn ontstaan in de relatie met de politie, dat scholen niet meer weten wie ze moeten hebben en het gevoel hebben er alleen voor te staan. Toch is het perspectief van de school als (eenzame) voortrekker voor de buurt niet echt veelbelovend en gezond. Typerend is ook dat deze taakopvatting van de school gepaard gaat met de overtuiging dat het docententeam het niet jarenlang zal volhouden. De directeur verwijst naar de aloude gedachte dat er een dorp nodig is om een kind op te voeden – ‘ik wil gewoon terug naar het dorp’. En voor hem is zijn school het dorp.

Maar als we de recente reeks berichten over steekincidenten in het land zien, dan moeten we concluderen dat het bij geweld en bedreiging onder jongeren vooral om problemen in achterstandswijken gaat en dat dit niet alleen en niet in de eerste plaats typische schoolproblemen zijn. Wat in elk geval noodzakelijk is is regionale regie. Juist met het oog op de langere termijn zou het buitengewoon wenselijk zijn als de gemeente uitdrukkelijk kiest voor een speciale wijkaanpak in het kader waarvan nauwe samenwerking van de school met alle andere betrokken partijen, van politie en justitie tot GGD, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering wordt georganiseerd.