Slechte ouders

6 augustus 2020

Slechte ouders, bestaan die? Sommige radicale pedagogen menen van niet. Zij gaan ervan uit dat elke ouder het beste voor heeft met zijn kind. Dat is een goed uitgangspunt in doorsneesituaties, waarin men werkt met een ouder die zit met vragen over zijn kind of het gevoel heeft op een bepaald punt vast te lopen of niet tot bijsturen in staat te zijn, terwijl dat wel nodig lijkt of wordt verlangd. Het geloof dat de ouder het beste voor heeft met zijn kind kan helpen om een positieve hulpverleningsrelatie of ‘werkalliantie’ op te bouwen, doordat de ouder vertrouwen en een gevoel van gelijkwaardigheid wordt gegeven. Sommige pedagogen gaan zelfs zover dat ze vinden dat ze in het contact met ouders ervoor moeten kiezen om niet het kind maar de ouder centraal te stellen. In werkelijkheid lijkt het verstandig om het werken vanuit zo’n keuzepositie te vermijden en zeker niet onvoorwaardelijk voor een van beide invalshoeken te kiezen, maar steeds de balans tussen helder perspectief op het kind en werkbaar perspectief op de ouder te zoeken. Pedagogen dienen zich in elk geval steeds te realiseren dat blind vertrouwen in de ouders in sommige situaties zonder meer naïef is en schadelijk kan uitpakken voor het kind. Want helaas, slechte ouders bestaan.

Met dat feit worden we met enige regelmaat geconfronteerd in de kinderbescherming. Bijvoorbeeld als het gaat om het treffen en naleven van een goede omgangsregeling na scheiding. Bij een deel van de stellen met kinderen die uit elkaar gaan haalt de scheiding het slechtste naar boven wat betreft rekening houden met hun kinderen. De laatste jaren zijn diverse initiatieven genomen om dergelijke vechtscheidingen met hun negatieve gevolgen voor de kinderen tegen te gaan. Om die reden is bijvoorbeeld vorig jaar naar aanleiding van een motie van Kamerlid Westerveld een expertteam ouderverstoting opgericht om oplossingsrichtingen te presenteren voor ouderverstoting/ oudervervreemding, in de literatuur ook wel aangeduid als parental alienation of kortweg p.a.. De Hoge Raad had rechters al in 2014 een actieve opstelling opgedragen teneinde omgang tussen ouder en kind na scheiding te bewerkstelligen. Veelal levert in dergelijke gevallen één van de ouders via het kind een jarenlang gevecht met de andere ouder. Het expertteam zou deze zomer een rapport uitbrengen, maar vanwege de complexiteit van de opdracht en in verband met de Corona-crisis wordt dit pas in het najaar verwacht.

Recente uitspraken van rechtbanken laten zien dat de opdracht van de Hoge Raad door rechters serieus wordt genomen. Een pijnlijk en bizar recent voorbeeld van slecht ouderschap betreft precies het omgekeerde van ouderverstoting, namelijk ‘kindverstoting’. De vader weigert  contact met het vierde kind uit zijn vorige relatie, met als reden dat ‘zijn hart vol is’ en dat hij niets voor dit kind voelt. De ouders zijn kort na de geboorte van het jongste dochtertje, dat inmiddels vier jaar is, uit elkaar gegaan. Sindsdien woonden de kinderen bij de moeder en gingen de oudste drie eens in de twee weken een lang weekend en twee weken in de vakantie naar hun vader. De vader heeft sinds de beëindiging van de relatie met de moeder elk contact met de jongste geweigerd en dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat ook de omgang tussen hem en de drie oudste kinderen het afgelopen jaar is gestopt. De kinderen begrijpen de opstelling van hun vader niet. De kwestie is voorgelegd aan het hof Arnhem-Leeuwarden en dat oordeelt dat de vader met zijn weigering om het jongste kind te willen zien niet alleen de drie oudere kinderen in een loyaliteitsconflict brengt tussen de ouders maar eveneens tussen hun vader en hun jongste zusje. Het hof vat het besluit van de vader op als gemotiveerd door rancune jegens de moeder die volgens de vader tegen zijn wil een vierde kind heeft gekregen. Het hof is van oordeel dat de vader met zijn harde opstelling niet alleen voorbij gaat aan de gevoelens van zijn nog heel jonge kinderen, maar dat hij daarmee ook doelbewust en langdurig geheel tegen hun belangen in handelt en hun ontwikkeling schaadt en daardoor ongeschikt is om (mede) het ouderlijk gezag uit te oefenen. Niet onvermeld mag tenslotte blijven dat het hof zich hierbij expliciet richt tot de kinderen en zijn beslissing aan hen in eenvoudige, begrijpelijke taal uitlegt.