Rechterlijke zorgen om de jeugdzorg

28 september 2020

Een van de gebieden waarop de crisis in de jeugdzorg sinds de decentralisatie in 2015 zichtbaar wordt, betreft beslissingen van de rechtbank. Uit een selectie van recente uitspraken op het gebied van het jeugdrecht komt naar voren dat rechters zich op meerdere punten ernstige zorgen maken. Allereerst het probleem met de tarieven. Nog voor de invoering van de decentralisatie waarschuwde de Transitiecommissie dat er instellingen zouden omvallen. Begin 2016 was al duidelijk dat de gemeenten aanbieders van jeugdzorg met allemaal verschillende regelingen en vaak te lage tarieven confronteerden waardoor vele in de gevarenzone terecht waren gekomen. Een jaar geleden bleek dat de financiële situatie van de overgebleven jeugdzorgaanbieders nog steeds bij vier op de tien ‘hoog risicovol’ was, als gevolg van te lage bekostiging door de gemeenten en van de enorm toegenomen administratieve lasten voor de instellingen vanwege facturatieperikelen en verantwoording naar vaak tientallen en soms meer dan 100 gemeentelijke contractpartners met verschillende eisen. Ten gevolge van deze problemen zag De Hoenderloo Groep zich dit jaar gedwongen haar deuren te sluiten.

Na een vernietigend rapport van de inspecties voor Gezondheidszorg en Jeugd en voor Justitie en Veiligheid vorig jaar heeft het kabinet gereageerd met een wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’, waarmee vooral meer regionale samenwerking wordt beoogd. De verschillende organisaties in de jeugdzorg hebben dit een ‘noodzakelijke stap’ in de goede richting genoemd, maar zij hebben er ook op gewezen dat er veel meer nationale regie nodig is, onder meer wat betreft onmisbare bovenregionale samenwerking voor weinig voorkomende specialistische jeugdhulp en op het punt van toezicht en doorzettingsmacht. Van hun kant hebben de gemeenten en de VNG zich juist fel tegen het wetsvoorstel verzet en in feite hanteren gemeenten, ook binnen deze samenwerkingsverbanden, nog steeds hun eigen eisen en indicatoren. Daarom zien de aanbieders van jeugdhulp zich de laatste jaren geregeld genoodzaakt naar de rechter te stappen om redelijke tarieven af te dwingen. In diverse recente uitspraken wordt duidelijk dat de rechters de zorgen van de instellingen op dit punt erkennen. Keer op keer worden zij door de rechtbank dan ook in het gelijk gesteld.

Een ander nijpend probleem dat zichtbaar wordt in uitspraken van de rechtbank betreft de wachtlijsten. Zo brengt de rechtbank Zeeland-West Brabant sinds vorig jaar de verzoeken tot ondertoezichtstelling drastisch terug in tijd om op die manier de vinger aan de pols te kunnen houden om te zien of er werkelijk binnen een aanvaardbare tijdsspanne uitvoering wordt gegeven aan deze maatregel. In veel gevallen is namelijk niet bekend wanneer er een jeugdzorgmedewerker beschikbaar zal zijn. Hetzelfde patroon zien we bij andere rechtbanken. Zo wees de rechtbank Rotterdam in oktober vorig jaar de uithuisplaatsing van een 17-jarige af, omdat het verzoekschrift niet met de minderjarige was besproken, maar ook omdat er domweg geen plek beschikbaar was. Situaties waarin bij een spoeduithuisplaatsing maanden later nog geen plek is gevonden of nog steeds geen jeugdbeschermer aan het gezin is toegewezen  blijken geen uitzondering.

Ook slordig omgaan met beschikkingen van de rechtbank, passeren van de kinderrechter, gebrek aan zorgvuldige voorbereiding, motivering en belangenafweging en achterwege laten van hoor en wederhoor door de Gecertificeerde Instelling (GI) worden door rechters in verschillende zaken gesignaleerd. Zo oordeelde de rechtbank Midden-Nederland dat een schriftelijke aanwijzing van de GI moest vervallen, omdat de betreffende zaken niet met de ouder waren besproken.  In een zaak werd binnen drie maanden na de beslissing tot een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verzocht om gezagsbeëindiging. Het hof Den Haag oordeelde dat duidelijk was dat de aanvaardbare termijn nog niet was verstreken en de rechters wezen het verzoek af.

Dit is geen systematische analyse; het zijn slechts impressies op grond van een selectie van rechterlijke uitspraken. Toch rijst hieruit een zorgelijk beeld van de situatie in de jeugdzorg. Het is niet uitgesloten dat wat betreft de opvallende hoeveelheid recente afwijzingen van een verzoek tot een kinderbeschermingsmaatregel sprake is van een selectie-effect. Het kan ook eenvoudigweg wijzen op toegenomen alertheid van de rechtbank. Daarentegen lijken de vele recente uitspraken waarin de instellingen in het gelijk worden gesteld wat betreft de tarieven en de maatregelen die verschillende rechtbanken hebben genomen om de vinger aan de pols te houden met het oog op de wachtlijstproblematiek er zonder meer op te duiden dat de rechtspraak zich bewust is van de belabberde situatie waarin de jeugdzorg zich momenteel bevindt.