Voor welk probleem biedt het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming een oplossing?

4 april 2021

Er zijn veel inhoudelijke bezwaren naar voren gebracht tegen overhaaste invoering van decentralisatie van de jeugdzorg. Ook werd onder meer met verwijzing naar de ervaringen in Denemarken gewaarschuwd dat zo’n ingrijpende omslag extra geld vereist in plaats van zware bezuinigingen. Desondanks werd de zorg voor de jeugd in 2015 rücksichtslos overgeheveld naar de gemeenten.[1] Het rijk verdeelde het geld, de gemeenten werden verantwoordelijk voor de uitvoering. Gevolg was een nog grotere achteruitgang van de jeugdzorg dan de critici hadden gevreesd, zoals sindsdien bleek uit talloze acties, brandbrieven, kritische evaluaties en vernietigende rapporten van lokale Rekenkamers en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Al snel werd duidelijk dat de ingrijpende bezuinigingen waarmee alle overheveling van bevoegdheden gepaard ging berustten op volledige onderschatting van de kosten en gevolgen van deze ingreep. In 2018 waarschuwde Marjanne Sint, voorzitter van de Transitie Autoriteit Jeugd, dat het als gevolg van de aanhoudende problemen met de financiering nog jaren kon duren voordat de hulpverlening op orde zou zijn. Nog steeds wordt er op gewezen dat de centrale overheid op diverse terreinen, van privacybescherming tot kwaliteitseisen en tot regulering dan wel vermijden van marktwerking, onvoldoende regie neemt.

Tegen die achtergrond is het eerste wat opvalt aan het recent gepubliceerde Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming de luchtige toonDe opdrachtgevers – de VNG en de ministeries van VWS en Justitie & Veiligheid – doen daarin voorstellen om het stelsel van jeugdbescherming opnieuw stevig te hervormen, maar dat gebeurt met een merkwaardige luchtigheid. Alsof de wachtlijsten voor de meest ernstige en meest spoedeisende gevallen niet onaanvaardbaar lang zijn geworden. Alsof zich inmiddels niet een leger van zorgcowboys op deze sector heeft gestort, dat de krenten uit de pap vist, terwijl de meeste gemeenten ten ene male de kennis en de capaciteit missen om die wildgroei aan banden te leggen en te selecteren op noodzaak, kwaliteit en deskundigheid. Alsof kinderen, ouders en zorgprofessionals het water niet allang aan de lippen staat en de jeugdzorg niet in crisis verkeert.

Het laatste waar het veld op dit moment op zit te wachten zijn voorstellen voor nieuwe geld- en energievretende veranderingen. Maar wat behalve de luchtige toonzetting meteen opvalt is juist de hoeveelheid vlot gepresenteerde nieuwe, vergaande ingrepen, die in feite doorgaan op de lijn van verdergaande gemeentelijke autonomie en een zwaar accent op preventie.[2] De lokale teams van de gemeenten, waarover alom twijfel bestaat of ze over voldoende deskundigheid, tijd en middelen beschikken, krijgen een nog meer centrale rol. Veilig Thuis, Gecertificeerde Instellingen en Raad voor de Kinderbescherming zouden moeten opgaan in ‘Regionale Veiligheidsteams’, zonder dat serieus wordt ingegaan op voor de hand liggende vragen met betrekking tot verschillen in expertise en rol. En zonder dat de kwaliteit van het werk van deze instellingen serieus is onderzocht [3] en de vraag is beantwoord of het wel verantwoord is om de komende jaren aan te sturen op een fusie van deze instellingen met hun uiteenlopende kennisniveau en verantwoordelijkheid. Er is een nieuwe, gedecentraliseerde bestuurslaag bedacht van samenwerkende gemeenten, die zowel over de toegang moet gaan als de regie moet voeren op verplichte maatregelen voor ouders en kinderen. De vraag of dat wel verstandig is, gezien de wijze waarop nu bijvoorbeeld rechterlijke beslissingen door gemeenten terzijde worden gelegd, wordt niet eens gesteld noch wordt voldoende stilgestaan bij de vraag naar rechtsgelijkheid en rechtsbescherming. Er wordt voorbijgegaan aan de vraag hoe in zo’n stelsel onafhankelijk onderzoek en advies aan de rechter wordt gegarandeerd. En let op, het gaat ineens niet meer over jeugdbescherming maar over ‘een nieuwe opzet van de kind- en gezinsbescherming’, een stelselwijziging met vergaande, nog nauwelijks te overziene implicaties.

Waar bijvoorbeeld het Actieprogramma Zorg voor de jeugd uit 2018 nog begon met een nuchtere weergave van de tekortkomingen van de jeugdzorg sinds de inwerkingtreding van de jeugdwet, gaat dit scenario amper over de problemen waar de sector anno 2021 dagelijks tegenaan loopt. Hier gaat het over zoiets modieus en vaags als ‘een lerende cultuur.’ Landelijke regie, algemeen geldende kwaliteitseisen en controle, het probleem van de open house-structuur,[4] het voorkomen van fraude, over al deze prangende actuele kwesties wordt luchtig heengehuppeld met trendy bezweringsformules over ‘een nieuwe manier van werken’ en zinnen als ‘het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming zet de stap naar een structuur die vertrouwen ondersteunt. Die de kracht van het gezin – en de naasten die bij dat gezin en de kinderen horen – stimuleert, zodat het gezin samen met professionele ondersteuning kan werken aan het verbeteren van de thuissituatie.’

Het is zeker niet onmogelijk dat er enkele zinvolle ideeën worden geopperd in het scenario, maar wat ontbreekt is een zorgvuldige onderbouwing daarvan. Dat is het derde wat opvalt in dit scenario: het simpelweg droppen van ideeën zonder duidelijk te maken voor welk probleem die ideeën een oplossing zouden moeten zijn. Er wordt een serie ingrijpende voorstellen gedaan, maar er ontbreekt een grondige analyse van de situatie waarin we nu verkeren op grond waarvan doordachte voorstellen voor verbetering worden ontwikkeld.

Wellicht spreekt deze luchtige schets van een mogelijke toekomst sommige bestuurders en beleidmakers aan, maar op de werkvloer bestaat hier allerminst behoefte aan. Daar bestaat op dit moment al helemaal geen behoefte aan radicale structuuraanpassingen, aan fusies en nieuwe bestuurslagen en zeker niet aan nog meer decentralisatie. Het is crisis in de jeugdzorg. Er zijn miljoenen aan belastinggeld verspild aan het inhuren van externen door de gemeenten, aan bedrijven die zonder controle aan de slag mochten met populaire zaken als ‘coaching met paarden’, ‘dolfijntherapie’ en ‘kamelenboerderijen’, bedrijven die steigerbouw of een café, een koeriersdienst of een taxibedrijf combineerden met jeugdzorg, waar gekwalificeerde professionals ontbraken maar wel grote winsten werden gemaakt.

Terwijl inmiddels vrijwel alle gemeenten geld tekort komen voor de jeugdzorg en veel kinderen met ernstige klachten van adequate hulp verstoken blijven, blijkt deze markt zo aantrekkelijk geworden dat buitenlandse durfinvesteerders elkaar verdringen om hiervan te kunnen profiteren.[5]  Vorig jaar juni concludeerde de Algemene Rekenkamer in haar rapport Geen plek voor grote problemen al: “hoe complexer de problematiek, hoe langer de wachttijd.”[6] Sinds de decentralisatie zijn er duizenden zorgbedrijven bijgekomen. Dat vraagt allereerst om centrale regie, algemene kwalificatie-eisen en algemene garanties voor en controle van kwaliteitsborging, doordacht reguleren en terugdraaien van de marktwerking en om weghalen van de toegang tot de jeugd-ggz bij de gemeenten (terug naar de algemene ggz-regeling via de zorgverzekeraar zoals dat ook vanaf 18 jaar gebeurt).[7] Het vraagt ook om eindelijk te erkennen dat de burger die hulp nodig heeft voor zichzelf en/ of voor de opvoeding en verzorging van zijn kind(eren) in zeer veel gevallen niet in staat is om de meest verstandige keuze te maken uit het aanbod van al die duizenden met reclameteksten volgeplakte zorgaanbieders die zich de afgelopen jaren op deze zorgmarkt hebben begeven.

[1] Op 1 januari 2015 werden de gemeenten niet alleen verantwoordelijk voor de jeugdzorg, maar ook voor de voorzieningen op het terrein van de AWBZ,de WMO en de Participatiewet, terwijl ze ook net verantwoordelijk waren geworden voor de uitvoering van de Wet Passend Onderwijs en van de herziene Kinderbeschermingsmaatregelen.

[2] Een van de factoren die tot scheefgroei in de zorg heeft geleid is het enthousiasme waarmee de wijkteams het veld zijn ingestuurd om vooral ‘preventief’ werk te doen. Juist op dit punt vonden ideologie en bezuinigingsstreven elkaar. Onderzoek laat daarentegen keer op keer zien dat het effect van vroege interventies – bijvoorbeeld naar aanleiding van een of twee typische jeugddelicten, vechten of pesten of lichte opvoedingsproblemen – nihil is en dat de grootste winst te behalen valt bij de serieuze gevallen.

[3] Denk bijvoorbeeld aan de recente dissertatie van Joost Huijer (2020, Universiteit Utrecht) – Rechtvaardiging van jeugdbescherming in de praktijk, een onderzoek naar de besluitvorming in jeugdbeschermingszaken door de Raad voor de Kinderbescherming en de kinderrechter.

[4] Zie onder meer diverse kritische rapportages hierover door het onderzoekscollectief Follow the Money, zoals https://www.ftm.nl/artikelen/jeugdzorg-zorgboerderijen-paarden?utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=email&utm_campaign=PaardenCoaching&share=lUM8e%2FGRFbpf3VhND1GN2PTLKGuxQXD2r0UcQS6JPATa%2Beo5ZAui0X6iPEknD5w%3D

[5] Onlangs werd in een drieluik over de jeugdzorg in de NRC gewezen op de recente aankoop door een Franse investeringsmaatschappij van de grootste Nederlandse keten voor jeugd-ggz, Mentaal Beter met 120 vestigingen. Die keten biedt gesprekken met professionals aan bij psychische problemen, voor een belangrijk deel via beeldbellen en andere digitale middelen. Dat blijkt een aantrekkelijk concept voor investeerders – lage kosten, hoge baten. Met gelikte brochures worden de gemeenten overgehaald om met deze grote, over het hele land actieve zorgaanbieder contracten af te sluiten, waarmee de weg naar de intensievere hulpverlening voor de ernstige gevallen in feite effectief wordt afgesneden.

[6] Vastgesteld werd dat dit zeker geldt als een ernstige psychische aandoening gepaard gaat met andere problemen of als de patiënt verstandelijk beperkt is. De Rekenkamer wees er daarbij op dat lang wachten op hulp weliswaar slechts een relatief kleine groep mensen treft, maar dat dat niets af doet aan de ernst ervan: “Lang wachten verergert de kwaal, doet een zwaar beroep op de omgeving en leidt uiteindelijk tot zwaardere en duurdere zorg.”

[7] De huidige situatie is een onvoldoende doordachte en onnodig geradicaliseerde versie van het oorspronkelijke transitie-plan van André Rouvoet – in het kabinet-Balkenende IV minister voor Jeugd en Gezin. De kans de toegang tot de jeugd-ggz onder beheer van de gemeente te brengen werd door Rutte II beschouwd als een enorme besparingsmogelijkheid. Rouvoet, nadien voorzitter van de zorgverzekeraars, heeft zich hier echter altijd met goede argumenten tegen gekeerd. Hij achtte het losknippen van de jeugd-ggz uit de totale ggz niet alleen onnodig voor het realiseren van een goede samenwerking met de jeugdzorg. Het was volgens hem ook onlogisch omdat daardoor de Zorgverzekeringswet en de AWBZ op iedereen van toepassing werden behalve op minderjarigen. Bovendien wees hij erop dat jongeren met psychische problematiek zodra ze 18 worden alsnog in de ggz terechtkomen. In 2018 sprak Manon Hillegers, hoogleraar jeugdpsychiatrie aan het Erasmus MC, in haar oratie van een ‘doodssteek voor een generatie’. Zij gaf een serie voorbeelden van de irrationaliteit en de dramatische gevolgen voor ernstig zieke kinderen van de beslissing om de toegang tot de jeugd-ggz uit de ggz te halen. Door bureaucratisch gesteggel tussen gemeenten konden deze kinderen niet snel worden behandeld. Hadden ze een fysieke klacht gehad, dan waren ze meteen opgenomen.