Financieel toezicht bij jonge veelplegers met schulden

21 oktober 2021

Voor sommige jongeren kan het hebben van schulden een motief vormen om zich schuldig te maken aan criminaliteit. ‘Ik had geld nodig’, klinkt niet zelden als motief als jongeren een vermogensdelict hebben gepleegd. De laatste jaren is er meer aandacht voor de financiële problematiek als achtergrond van criminaliteit onder jongeren. De (jeugd)reclassering heeft veel van hen onder toezicht. In ons jarenlange onderzoek naar jonge veelplegers werd duidelijk dat hun criminele routine in veel gevallen gepaard gaat met onvermogen om rationeel met geld om te gaan. Dat werd onder andere zichtbaar in de manier waarop ze net zo makkelijk met geld smeten en (verkeers)boetes veroorzaakten als delicten pleegden. Daarom heb ik er de afgelopen jaren meermaals voor gepleit dat er meer aandacht komt voor een vorm van ‘financieel toezicht’ bij jonge veelplegers met schulden, met name als er sprake is van beperkte verstandelijke vermogens.

In 2018 werd dit idee in de politiek opgepakt in een motie van de Tweede Kamerleden Van Nispen (SP) en Van Oosten (VVD) Daarop heeft de Minister voor Rechtsbescherming de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) hierover om advies gevraagd en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) verzocht hiernaar onderzoek te doen. De RSJ pleitte ervoor deze gedachte verder uit te werken en vervolgens in een pilot uit te proberen. De RSJ wees er daarbij op dat de reclassering niet over beschikt specifieke deskundigheid op dit terrein en dat dit goed moet worden afgestemd met financiële bewindvoering.

Aansluitend werd in Utrecht een kortlopende pilot met bewindvoering bij jonge reclasseringscliënten gehouden. Daarbij deed zich echter al snel een obstakel voor en dat had te maken met het vrijwillige kader waarin financieel toezicht, indien toegepast, gestalte krijgt. Dat loopt via de kantonrechter en jonge veelplegers blijken niet snel geneigd om zich vrijwillig onder beschermingsbewind te stellen, waarmee ze immers de greep op hun portemonnee kwijtraken. Sterker nog, de pilot maakte duidelijk dat de weerstand tegen bemoeienis met hun financiële huishouding bij deze groep met hun sterke behoefte aan ‘blingbling’ en autonomie nog extreem veel groter is dan bij de doorsnee jonge schuldenaar.

Deze ervaringen liepen grotendeels parallel met de conclusies van het WODC-onderzoek dat dit jaar verscheen. Daarin geven de toezichthouders aan dat het hen zou helpen wanneer financieel toezicht vaker door de strafrechter zou worden opgelegd. Van hun kant maken de medewerkers van de (jeugd)reclassering duidelijk dat een uitdrukkelijke aanwijzing op dit punt door de (jeugd)strafrechter als een noodzakelijke stok achter de deur kan werken. Dat betekent dat, indien maar enigszins mogelijk bij voldoende indicaties voor schuldenproblemen al in de adviesfase richting strafrechter financieel toezicht moet worden geadviseerd.

Ik voeg daar graag aan toe dat bij jonge veelplegers die dus regelmatig terugkeren bij de rechter, op dit punt zo spoedig mogelijk informatie zou moeten worden verzameld, zodat niet steeds opnieuw in heel korte tijd moet worden bekeken hoe het er voor staat met de financiële situatie van de betreffende jongere. Aangezien de adviesfase richting strafrechter relatief kort is, zou bij degenen waar op dit punt nog onvoldoende informatie beschikbaar is, zoals de studie van het WODC aanbeveelt, meer aandacht voor mogelijke schuldenproblematiek moeten komen tijdens en na afloop van detentie. Bij recidive kan die informatie dan tevens dienen om snel met een advies voor financieel toezicht richting strafrechter te komen. Op dit punt is een jaar geleden een interessante pilot in het kader van het jeugdstrafrecht gestart in de regio Haaglanden. Hier wordt door de Raad voor de Kinderbescherming extra tijd besteed aan onderzoek van de financiële situatie van de jeugdige verdachte. Beoogd wordt dit aspect vervolgens meteen mee te nemen bij het opstellen van het advies richting de rechter.

Zoals de RSJ al concludeerde, hebben bewindvoerders en andere instanties met expertise op financieel terrein op dit moment vrijwel geen ervaring met het werken binnen een verplicht kader, terwijl de meeste reclasseerders weinig expertise hebben op financieel gebied. Ook op dit punt zijn recent enkele interessante initiatieven genomen, zoals een pilot getiteld ‘Schuldenvrij Terug in de Maatschappij’. Hier gaat het uitdrukkelijk om versterkte samenwerking tussen de reclassering, het Schuldenlab en de gemeente Den Haag bij (jong)volwassen reclasseringscliënten. Tenslotte bevelen de onderzoekers aan om het aanbod aan financiële programma’s, trainingen en instanties met ervaring binnen een verplicht kader uit te breiden. Het is verheugend dat ook in antwoord op deze aanbeveling inmiddels interessante nieuwe intitiatieven worden ontwikkeld. Zo is dit jaar een pilot van start gegaan, waarin personen die vanwege vermogensdelicten in aanraking zijn gekomen met het strafrecht, rechtsreeks door ervaren bewindvoerders worden begeleid. De verwachting is dat een goed onderbouwde schuldsaneringsaanvraag richting gemeente of de rechter zal leiden tot een snellere aanpak van de financiële problemen.

Kortom, schuldenproblematiek bij jongeren die bij herhaling vermogensdelicten plegen wordt langzamerhand serieus genomen en er worden interessante stappen gezet om erachter te komen hoe daar juridisch en maatschappelijk zo effectief mogelijk op gereageerd kan worden.