Verwijsindex Risicojongeren uit de Jeugdwet 

10 december 2021

Op 7 december j.l. is een stap gezet om te voorkomen dat we op het gebied van de opvoeding sluipenderwijs verder in een onwenselijke ‘voorzorgcultuur’ terechtkomen. Op die dag heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen om de verwijsindex risicojongeren (VIR) als wettelijke verplichting uit de Jeugdwet te schrappen en zorg te dragen voor waarborgen betreffende de privacy bij eventueel gebruik ervan. Deze kleine, maar belangrijke stap in de goede richting is te danken aan de inzet van kritische ouderorganisaties, met name Balans en BVIKZ die hier al jaren voor ijveren.

De introductie en toepassing van de VIR vormen een typisch voorbeeld van wat ik in mijn oratie in 2012 heb aangeduid als ‘preventionisme’ – het streven naar preventie in termen van het algemeen en absoluut willen uitsluiten van alle mogelijke risico’s. Deze tendens wordt ook wel aangeduid als ‘voorzorgcultuur’. Daarbij ligt de nadruk niet op snel professioneel ingrijpen bij evident risico op ernstige schade in een concrete casus, maar op het in brede zin voor zijn van mogelijk negatieve ontwikkelingen. In de kinderbescherming is deze tendens goed zichtbaar in de aanleg van een door niemand meer te overziene hoeveelheid gegevens, opgestapeld in digitale kinddossiers – van het Elektronisch Leerlingdossier tot het Dossier Warme Overdracht van kinderdagverblijf naar basisschool, van ProKid – het politiesignalerings-systeem voor 12 minners – tot het Elektronisch Kind Dossier, intussen omgedoopt tot Digitaal Dossier Jeugdgezondheidszorg (DDJGZ), en de Verwijsindex Risicojongeren. Vooral het enthousiasme en de slordigheid waarmee de introductie en vervolgens de toepassing van de dossiers gepaard ging, gaven voortdurend aanleiding tot ernstige problemen voor ouders, kinderen en hulpverleners, zowel op het punt van privacybescherming als wat betreft de mogelijkheid van onrechtmatigheid, fouten en onduidelijkheden in de uitvoering. Intussen valt er, zoals door critici voorzien, weinig tot niets te zeggen over de mogelijke effectiviteit van registratiesystemen als de VIR.

Al bij de evaluatie van de VIR in 2012 bleek dat professionals bezwaren hadden tegen het melden en dat ouders zorgen hadden over de registratie. Bijna 10 jaar geleden was al duidelijk dat er met de VIR stelselmatig inbreuk op de privacy van jeugdigen werd gemaakt, omdat jeugdigen in strijd met de privacywetgeving zonder toestemming van henzelf of hun ouders geregistreerd kunnen worden. Bij de landelijke evaluatie van de Jeugdwet in 2018 werd bovendien duidelijk dat een deel van de jongeren nooit werd geregistreerd en dat ook het omgekeerde regelmatig voorkwam. Talloze kinderen bleken door gemeenten en bijvoorbeeld scholen voor speciaal onderwijs bij ieder verzoek om jeugdhulp, in strijd met art. 7.1.4.1 uit de jeugdwet, standaard in de VIR te worden geregistreerd. Zo ontvangt de NVO signalen dat gemeenten soms verlangen dat zorgaanbieders alle cliënten registreren in de VIR. Tenslotte bleek al bij het advies van de Raad van State in 2013 dat wat betreft veronderstelde effectiviteit van de VIR ernstige twijfel op zijn plaats was.

Kortom, ondanks ernstige tekortkoming werd er veel te lang doorgegaan met de VIR. Daarom is het positief dat een Kamermeerderheid tegen het advies van het demissionaire kabinet heeft gekozen voor het opheffen van de wettelijke verplichting en verlangt dat er wettelijke waarborgen worden vastgesteld op het punt van de privacybescherming. Het is de hopen dat de Kamer toeziet op de uitwerking van deze motie. Een volgende stap zou zijn om onderzoek te verlangen dat inzicht geeft in wat dit registratiesysteem nu eigenlijk oplevert voor de praktijk van de jeugdzorg.