Zwarte Pieten met de jeugdzorg

22 nov. 2014

We staan aan de vooravond van een fundamentele verandering van het sociale domein. Er kunnen veel vraagtekens worden gezet bij de noodzakelijkheid en de wenselijkheid van deze ontwikkeling. In elk geval was van meet af aan duidelijk dat het hier gaat om drie mega-experimenten losjes verbonden door een hap-snap ‘participatie’-ideologie zonder bewijs voor haalbaarheid en effectiviteit. Helaas moet inmiddels ook worden geconstateerd dat deze enorme operatie overhaast plaatsvindt en dat we er nog niet klaar voor zijn.

Het gaat zoals bekend om een enorme uitbreiding van taken voor de gemeenten. Per 1 januari 2015 worden zij verantwoordelijk voor zowel de zorg voor jeugdigen als voor het nieuwe participatiebeleid en de langdurige zorg. Het besluit om deze drie ingrijpende decentralisaties op zeer korte termijn tegelijkertijd te laten ingaan en tevens gepaard te laten gaan met drastische bezuinigingen was een typische, snelle ‘keukentafelbeslissing’. De voorbereiding en uitvoering ervan vergen extreme inspanningen van alle betrokkenen. Intussen wordt de kans steeds groter dat de overhaaste invoering, ondanks alle inspanningen vanuit het veld en zelfs enthousiasme om er iets moois van te maken, de komende jaren dramatische gevolgen zal hebben, vooral in de middelgrote en kleinere gemeenten.

De overheveling van de jeugdzorg is het meest ingewikkeld. Vanaf het eerste begin is hier dan ook gewaarschuwd voor het moordende tempo. Pas vlak voor de zomer (!) kregen de gemeenten van de regering te horen hoeveel geld zij beschikbaar zouden hebben voor de jeugdzorg. Zonder ervaring op dit terrein en vaak zonder kennis dienden zij luttele maanden later contracten met de zorgaanbieders rond te hebben. Ver vantevoren kon men zien aankomen dat dit niet zou lukken. Toen die constatering onontkoombaar was geworden, verlegde de regering de datum waarop de contracten rond zouden moeten zijn naar 1 november. Ook nu blijkt dit echter zoals te verwachten bij de meerderheid van de gemeenten nog niet gelukt.

Staatssecretaris Teeven dreigt nu ‘talmende’ gemeenten onder curatele te stellen. De PvdA roept haar aanhang op de gemeenten achter de vodden te zitten. Haar voorzitter verkondigt dat ‘nu de politieke besluiten genomen zijn er weer ruimte is voor actie.’ Het dreigement met curatele illustreert op treffende wijze de huidige liberale visie op de verhouding tussen centrale en lokale overheid: de gemeenten als loyale uitvoeringsinstanties van landelijk beleid. Even simpel en veelzeggend illustreert de oproep van Spekman de actuele sociaal democratische visie op politieke participatie: de politieke activist als actie-vee, dat wordt geacht op afroep in actie te komen, nadat de ingrijpende sociale besluiten zonder diepgaande discussie zijn genomen.

Intussen is het minstens zo interessant om te zien welk politiek spel hier in gang wordt gezet: de gemeenten krijgen de zwarte piet toegespeeld. Daarom wil ik er in dit stuk nog eens uitdrukkelijk op wijzen dat het de landelijke politiek is die de volle verantwoordelijkheid draagt als we straks worden geconfronteerd met een niet aflatende reeks pijnlijke misstanden.

Anderhalf jaar geleden sprak ik in NRC-Handelsblad de vrees uit dat de voor 1 januari 2015 geplande overheveling van de jeugdzorg naar de gemeenten desastreus zou uitpakken. Sindsdien klonken er keer op keer en vanuit de meest uiteenlopende hoeken waarschuwende geluiden. Er kwam een breed gedragen handtekeningenactie op gang. Op een hoorzitting in de Eerste Kamer werd van de kant van de zorginstellingen, de zorgverzekeraars, hoogleraren en de kinderombudsman om uitstel verzocht. Na de zomer richtte Jeugdzorg Nederland zich met een vergelijkbare noodkreet tot het kabinet. Steeds luidde het antwoord van de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, staatssecretaris Van Rijn: ‘Er is geen reden tot zorg, alles komt in orde’. Kritiek heette ingegeven door ‘ongefundeerde angst voor vernieuwing’. Het kabinet hield onverkort vast aan het gestelde tijdsschema; het parlement bleef muisstil.

Inmiddels stapelen de problemen rond de overheveling van jeugdzorgtaken zich op. Allereerst financieel. De commissie Geluk, die het overhevelingsproces begeleidt, sprak onlangs de verwachting uit dat zorginstellingen zullen omvallen met langere wachttijden als gevolg. Ouders van een kind dat jeugdzorg ontvangt vanuit een financieel kwetsbare instelling moeten zich volgens haar serieus zorgen gaan maken. Een aantal instellingen heeft vanwege de voortdurende onzekerheid zijn deuren al (deels) moeten sluiten. Meer dan de helft van de regionale aanbieders van jeugdzorg verwacht 10 a 30 % minder budget beschikbaar te hebben, terwijl er nauwelijks zicht is op een overeenkomstige afname van zorgvragen. 55 instellingen hebben zich inmiddels gemeld bij de net opgerichte Transitie Autoriteit Jeugd, omdat ze financiele problemen voorzien. Er zullen alleen nog maar instellingen bij komen.

Volgens de rekenkamers van de vier grote gemeenten ontbreekt er een goede infrastructuur voor het beoogde, nieuwe jeugdbeleid en vergt zo’n infrastructuur, zoals door mij indertijd geschetst, grote investeringen die niet snel kunnen worden terugverdiend. Talloze gemeenten zagen zich gedwongen veel geld te steken in het inhuren van externe adviseurs.

Daarbovenop hebben gemeenten en zorginstellingen extra personeel moeten aannemen om het hoofd te kunnen bieden aan alle administratieve rompslomp. Daarbovenop blijken er enorme administratieve problemen. Financieel en administratief deskundigen, die onderzoek hebben gedaan in opdracht van de commissie Geluk, voorspellen een administratieve chaos vanwege de berg gedetailleerde beschikkingen die de nieuwe wijkteams moeten maken over het aantal verwijzingen naar specialistische zorg. Onlangs kwam bovendien iets heel anders naar buiten: gemeenten en zorginstellingen verslikken zich in eindeloos overleg. Waar de instellingen voorheen met een klein aantal partijen onderhandelde over het zorgaanbod moeten ze nu met vele tientalllen gemeenten in gesprek, terwijl hun gesprekspartners in de meeste gevallen ook nog van niks weten en uit onzekerheid veel meer overleg en controle willen. Naast al deze ernstige en moedeloos stemmende zorgen op financieel, administratief en bureaucratisch gebied speelt er nog een heel ander probleem dat veel minder aandacht heeft gekregen. Dat betreft het zorgwekkende gebrek aan bezinning op de rechtspositie van burgers. Er is tot op heden volstrekt onvoldoende nagedacht over de gevolgen van de nieuwe, ongekende machtsconcentratie bij de gemeenten die ons straks te wachten staat. Zo is er tot nog toe nauwelijks tegemoet gekomen aan de kritiek van het College Bescherming Persoonsgegevens. Er zijn wel stappen gezet, maar op het precaire punt van de privacybescherming ontbreekt iedere centrale regie.

In weerwil van alle fanfare over ‘noodzakelijke vernieuwing’ en ondanks de inspanningen vanuit het veld blijkt deze onvoldoende doordachte operatie voorlopig vooral veel meer bureaucratie en minder zorg op te leveren. De toegang tot de jeugd-GGZ is er ook voor de werkelijk problematische gevallen alleen maar moeilijker op geworden. Met dank aan de landelijke politiek. Het kabinet heeft zich van meet af aan doof gehouden voor alle zorgen en kritische rapporten en voor de brede roep om uitstel. Het parlement pruttelde en liet het gebeuren.