Verwijsindex Risicojongeren uit de Jeugdwet

Op 7 december j.l. is een stap gezet om te voorkomen dat we op het gebied van de opvoeding sluipenderwijs verder in een onwenselijke ‘voorzorgcultuur’ terechtkomen. Op die dag heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen om de verwijsindex risicojongeren (VIR) als wettelijke verplichting uit de Jeugdwet te schrappen en zorg te dragen voor waarborgen betreffende de privacy bij eventueel gebruik ervan. Deze kleine, maar belangrijke stap in de goede richting is te danken aan de inzet van kritische ouderorganisaties, met name Balans en BVIKZ die hier al jaren voor ijveren.

De introductie en toepassing van de VIR vormen een typisch voorbeeld van wat ik in mijn oratie in 2012 heb aangeduid als ‘preventionisme’ – het streven naar preventie in termen van het algemeen en absoluut willen uitsluiten van alle mogelijke risico’s. Deze tendens wordt ook wel aangeduid als ‘voorzorgcultuur’. Daarbij ligt de nadruk niet op snel professioneel ingrijpen bij evident risico op ernstige schade in een concrete casus, maar op het in brede zin voor zijn van mogelijk negatieve ontwikkelingen. In de kinderbescherming is deze tendens goed zichtbaar in de aanleg van een door niemand meer te overziene hoeveelheid gegevens, opgestapeld in digitale kinddossiers – van het Elektronisch Leerlingdossier tot het Dossier Warme Overdracht van kinderdagverblijf naar basisschool, van ProKid – het politiesignalerings-systeem voor 12 minners – tot het Elektronisch Kind Dossier, intussen omgedoopt tot Digitaal Dossier Jeugdgezondheidszorg (DDJGZ), en de Verwijsindex Risicojongeren. Vooral het enthousiasme en de slordigheid waarmee de introductie en vervolgens de toepassing van de dossiers gepaard ging, gaven voortdurend aanleiding tot ernstige problemen voor ouders, kinderen en hulpverleners, zowel op het punt van privacybescherming als wat betreft de mogelijkheid van onrechtmatigheid, fouten en onduidelijkheden in de uitvoering. Intussen valt er, zoals door critici voorzien, weinig tot niets te zeggen over de mogelijke effectiviteit van registratiesystemen als de VIR.

Al bij de evaluatie van de VIR in 2012 bleek dat professionals bezwaren hadden tegen het melden en dat ouders zorgen hadden over de registratie. Bijna 10 jaar geleden was al duidelijk dat er met de VIR stelselmatig inbreuk op de privacy van jeugdigen werd gemaakt, omdat jeugdigen in strijd met de privacywetgeving zonder toestemming van henzelf of hun ouders geregistreerd kunnen worden. Bij de landelijke evaluatie van de Jeugdwet in 2018 werd bovendien duidelijk dat een deel van de jongeren nooit werd geregistreerd en dat ook het omgekeerde regelmatig voorkwam. Talloze kinderen bleken door gemeenten en bijvoorbeeld scholen voor speciaal onderwijs bij ieder verzoek om jeugdhulp, in strijd met art. 7.1.4.1 uit de jeugdwet, standaard in de VIR te worden geregistreerd. Zo ontvangt de NVO signalen dat gemeenten soms verlangen dat zorgaanbieders alle cliënten registreren in de VIR. Tenslotte bleek al bij het advies van de Raad van State in 2013 dat wat betreft veronderstelde effectiviteit van de VIR ernstige twijfel op zijn plaats was.

Kortom, ondanks ernstige tekortkoming werd er veel te lang doorgegaan met de VIR. Daarom is het positief dat een Kamermeerderheid tegen het advies van het demissionaire kabinet heeft gekozen voor het opheffen van de wettelijke verplichting en verlangt dat er wettelijke waarborgen worden vastgesteld op het punt van de privacybescherming. Het is de hopen dat de Kamer toeziet op de uitwerking van deze motie. Een volgende stap zou zijn om onderzoek te verlangen dat inzicht geeft in wat dit registratiesysteem nu eigenlijk oplevert voor de praktijk van de jeugdzorg.

Gebruik nieuwe inzichten in aanpak jonge veelplegers

Vaak overheerst in berichten over jeugd die over de schreef gaat het beeld dat er sprake zou zijn van een voortdurende toename van jeugdcriminaliteit. Zo bestaat bij velen de gedachte dat steeds meer jongeren op steeds jongere leeftijd ernstige delicten zouden plegen. Soms wordt zelfs de indruk gewekt dat het om een nauwelijks te beheersen probleem zou gaan. Dit beeld is volkomen misplaatst. In feite is precies het omgekeerde het geval: sinds 2007 is de jeugdcriminaliteit juist spectaculair afgenomen. Het aantal zeer jonge daders is de afgelopen jaren allerminst toegenomen maar juist fors gedaald en het eerste geregistreerde delict is niet zwaarder geworden

Deze overall gunstige ontwikkeling betekent echter niet dat er geen specifieke problemen bestaan op dit gebied. Zo zien we weliswaar een duidelijke afname van het aantal overvallen, maar tegelijkertijd blijkt bij één op de vijf daarvan een minderjarige dader betrokken. Bovendien blijkt de kleine groep ernstige jonge daders, die zich onder meer schuldig maakt aan dergelijke ernstige feiten, geheel tegen de dominante positieve trend in de afgelopen jaren niet in omvang afgenomen, maar juist constant gebleven. En terwijl het aantal zeer actieve jongvolwassen veelplegers sinds het begin van deze eeuw ruimschoots is gehalveerd, wordt onder hen wel een toename van gewelddadige feiten geconstateerd.

Top X

Terwijl de jeugdcriminaliteit over het algemeen sterk is afgenomen, hebben we dus tegelijkertijd te maken met een zeer kleine groep jongeren en jongemannen die aanhoudend ernstig antisociaal gedrag vertoont. Die doen dit allang niet meer om de kick maar routineus als manier om snel inkomsten te verwerven. In reactie hierop zijn er de laatste jaren in navolging van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht door het hele land – van Venlo tot Gouda, van Noord Limburg tot Hoorn en van Nijmegen tot Purmerend – zogeheten ‘Top X’-aanpakken ontwikkeld. Wat in die aanpak doorgaans echter ontbreekt zijn nieuwe criminologische inzichten in het proces van stoppen met een criminele routine, die een belangrijke rol kunnen spelen bij het versnellen van dit proces..

Wij hebben een kleine honderd van deze jonge criminele routiniers jarenlang gevolgd en we hebben 50 van hen uitvoerig geïnterviewd. Deze studie onderstreepte niet alleen het gegeven dat vrijwel alle jonge veelplegers uiterlijk rond hun dertigste zijn gestopt met hun antisociale gedrag. Ook werd duidelijk dat het proces van stoppen met hun criminele levenswijze voor de betrokken jongeren des te zwaarder is naarmate ze ouder worden. Het elementaire inzicht dat stoppen allerminst iets is wat ongemerkt verloopt, ‘zonder dat de jongere hier erg in heeft’, zoals vaak wordt aangenomen, is van groot belang voor de aanpak.

Stoppen is een worsteling

Stoppen met hun criminele routine betekent voor de betrokkenen vrijwel altijd een zware worsteling, waarbij voortdurend de voordelen van hun levenswijze worden afgewogen tegen de nadelen. Waar het in een kansrijke aanpak om draait is dat deze worsteling bij uitstek een kans biedt voor interventies.

De worsteling om los te komen van de criminele routine behoeft een aanpak die is afgestemd op de motivatie van de jongere. Cruciaal aan die aanpak, kortweg getypeerd als combinatie van zorg en repressie gericht op de mogelijkheden en behoeften van de persoon, is dat die inhaakt op de mate waarin de jongere steeds meer gaat twijfelen aan zijn levenswijze. Weliswaar ziet hij dan aanvankelijk meestal nog nauwelijks een ander perspectief. Maar hij begint tenminste te erkennen dat hij niet eindeloos op dit pad kan doorgaan. Daarop kan de aanpak inhaken.

Geleidelijk aan werd ons ook duidelijk dat stoppen met een op jonge leeftijd ontwikkelde criminele routine zich ook laat begrijpen als een (extreme en extreem late) vorm van volwassenwording. Dit correspondeert met twee ontwikkelingen die we in dit proces terugzien – toenemende impulsbeheersing en langzaam op gang komend empathisch vermogen. Dat wil zeggen empathie jegens de naasten, met name de ouders. Zo kwam uit ons onderzoek ook naar voren dat, pas als de jongere begint te twijfelen aan zijn levenswijze, tot hem begint door te dringen welke ellende hij zijn ouders al die tijd heeft bezorgd. Precies op dit gevoelige punt van langzaam toenemend empathisch vermogen ligt een belangrijk aanknopingspunt voor een succesvolle aanpak.

Heeft jeugdbescherming toeslagenouders echt niet anders behandeld?

In zijn Kamerbrief over uithuisplaatsingen en kinderopvangtoeslag van 1 november verwijst minister Weerwind naar recent onderzoek van het CBS. Hij concludeert: ‘Er is geen sprake van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de jeugdbescherming: gedupeerde ouders kregen niet vaker dan vergelijkbare gezinnen te maken met een kinderbeschermingsmaatregel.’

Vervolgens is deze redenering in diverse media herhaald. Zo schrijft De Volkskrant op 1 november dat het beeld dat kinderen uit huis zijn geplaatst omdat hun ouders slachtoffer waren van de toeslagenaffaire nu is genuanceerd. Drie dagen later wordt dit in dezelfde krant herhaald en wordt een woordvoerder van Jeugdzorg Nederland geciteerd, die stelt: ‘Nu is scherper wat feit is en wat fictie.’ Helaas moet echter worden geconstateerd dat met deze berichtgeving het onderscheid tussen feit en fictie allerminst scherper is geworden.

Feit is namelijk dat hier twee zaken door elkaar worden gehaald: bemoeienis van de jeugdbescherming met het gezin in de vorm van een ondertoezichtstelling en in de vorm van uithuisplaatsing. Dat laatste is uiteraard een voor alle betrokkenen veel zwaardere ingreep. In de voorstelling van zaken door de minister (in navolging van het CBS en de inspectie) gaat het over bemoeienis van de jeugdbescherming in het algemeen. Maar dat was niet de vraag waar de Kamer en de gedupeerde ouders een antwoord op wilden. De vraag was, hoe het zit met de uithuisplaatsing bij de gedupeerde gezinnen en het mogelijk verband van die ingrijpende maatregel met de toeslagenaffaire. Daarover wordt in het rapport van het CBS slechts opgemerkt, dat ‘is gekeken naar het totaal van alle kinderbeschermingsmaatregelen’, aangezien het aantal gevallen ‘waar hoogstwaarschijnlijk sprake is van een uithuisplaatsing (…) statistisch gezien te laag (was) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen of gedupeerden disproportioneel te maken kregen met een uithuisplaatsing van een kind.’

Daarmee is de vraag of er sprake zou kunnen zijn van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de uithuisplaatsing van kinderen dus vervangen door de vraag naar eventuele bemoeienis van de jeugdbescherming in het algemeen met gedupeerde gezinnen. Deze aanpassing van de onderzoeksvraag impliceert dat we geen cijfers krijgen over het aantal uithuisgeplaatste kinderen van wel en niet gedupeerde gezinnen. Daarmee is een vergelijking tussen beide groepen op basis van deze CBS-studie dus feitelijk onmogelijk en zijn de conclusies van de minister ongefundeerd voor wat betreft de relatie tussen de toeslagenaffaire en de uithuisplaatsing. Tegelijkertijd leidt de verschuiving van uithuisplaatsing naar ondertoezichtstelling tot al te stellige conclusies in de media en bij de betrokken instanties. Zo schreef Trouw : ‘Zijn kinderen vaker uit huis geplaatst als gevolg van de toeslagenaffaire? (…) Nee, de kans op een uithuisplaatsing is niet vergroot door die hele affaire.’

Zeker, het zal voor de minister een opluchting zijn te kunnen concluderen dat jeugdbescherming toeslagenouders niet anders heeft behandeld dan vergelijkbare gezinnen. Nuchter gezien moeten we echter vaststellen dat het allerminst duidelijk is of die conclusie wel klopt waar het de gezinnen betreft waarvan de kinderen uit huis zijn geplaatst. Op basis van dit onderzoek valt allerminst uit te sluiten dat jeugdbescherming toeslagenouders wel degelijk anders heeft behandeld.

Ido Weijers, 7 november 2022