Heeft jeugdbescherming toeslagenouders echt niet anders behandeld? (3) 

Eindelijk! Na drie maanden kondigt het CBS alsnog een rectificatie aan van haar eerdere conclusie over een mogelijk verband tussen de Toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen van kinderen in de gezinnen die door deze affaire waren gedupeerd. ‘Toeslagenaffaire heeft kans op kinderbeschermingsmaatregel niet vergroot’, zo luidde de boodschap van het CBS op 1 november vorig jaar. Direct daarop kwam er kritiek op deze conclusie.

Statisticus Casper Albers, die het CBS-onderzoek notabene had begeleid, wees er meteen op dat het onderzoek wel degelijk verschillen had laten zien met de brede vergelijkingsgroep en dat er in elk geval sprake bleek van structureel en massaal racisme. Van mijn kant wees ik er op dat in de studie van het CBS de focus niet had gelegen op de meest ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel – de uithuisplaatsing. Daarentegen was de aandacht verschoven naar alle kinderbeschermingsmaatregelen. Dit was gebeurd om de simpele reden dat het aantal gevallen waar sprake leek van uithuisplaatsing ‘statistisch gezien te laag (was) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen.’ Ik concludeerde dat op basis van dit onderzoek allerminst viel uit te sluiten dat jeugdbescherming toeslagenouders anders had behandeld. 

Maar inmiddels was het kwaad al ruimschoots geschied. Minister Weerwind stelde: ‘Er is geen sprake van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de jeugdbescherming.’ En die conclusie werd vanzelfsprekend in diverse media herhaald en vaak nog stelliger gebracht. Zo kwam in De Volkskrant iemand van Jeugdzorg Nederland aan het woord die, onder voorbijgaan aan de verschuiving van uithuisplaatsing naar beschermingsmaatregelen in brede zin, stelde dat met dit onderzoek het onderscheid tussen feit en fictie scherper was geworden, quod non. En in De Correspondent werd de verontwaardiging over een mogelijke relatie tussen toeslagenaffaire en uithuisplaatsing weggezet als ‘Nieuws Zonder Baseline.’ 

Gelukkig heeft het CBS dan eindelijk, bijna drie maanden later, terloops tijdens een briefing in de Tweede Kamer erkend dat haar eerdere conclusie niet klopte. Het rapport bevat niet alleen zeer sterke aanwijzingen dat bij de toepassing van jeugdbeschermingsmaatregelen sprake was van discriminatie. De verschuiving van focus op uithuisplaatsingen naar alle vormen van bemoeienis door jeugdbescherming – lees met name ondertoezichtstelling – maakt het onmogelijk om heldere conclusies te trekken over de relatie tussen de Toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen. Laten we hopen dat in vervolgonderzoek meer licht op deze vraag kan worden geworpen. Dat wordt sowieso nog een lastig te beantwoorden vraag als wordt erkend dat in meerdere gevallen kinderen uit huis zijn geplaatst zonder dat daar een rechter aan te pas is gekomen en zonder dat daarvan duidelijke administratie is bijgehouden.

Heeft jeugdbescherming toeslagenouders echt niet anders behandeld?

7 november 2022

In zijn Kamerbrief over uithuisplaatsingen en kinderopvangtoeslag van 1 november verwijst minister Weerwind naar recent onderzoek van het CBS.  Hij concludeert: ‘Er is geen sprake van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de jeugdbescherming: gedupeerde ouders kregen niet vaker dan vergelijkbare gezinnen te maken met een kinderbeschermingsmaatregel.’

Vervolgens is deze redenering in diverse media herhaald. Zo schrijft De Volkskrant  op 1 november dat het beeld dat kinderen uit huis zijn geplaatst omdat hun ouders slachtoffer waren van de toeslagenaffaire nu is genuanceerd. Drie dagen later wordt dit in dezelfde krant herhaald en wordt een woordvoerder van Jeugdzorg Nederland geciteerd, die stelt: ‘Nu is scherper wat feit is en wat fictie.’ Helaas moet echter worden geconstateerd dat met deze berichtgeving het onderscheid tussen feit en fictie allerminst scherper is geworden.

Feit is namelijk dat hier twee zaken door elkaar worden gehaald: bemoeienis van de jeugdbescherming met het gezin in de vorm van een ondertoezichtstelling en in de vorm van uithuisplaatsing. Dat laatste is uiteraard een voor alle betrokkenen veel zwaardere ingreep. In de voorstelling van zaken door de minister (in navolging van het CBS en de inspectie) gaat het over bemoeienis van de jeugdbescherming in het algemeen. Maar dat was niet de vraag waar de Kamer en de gedupeerde ouders een antwoord op wilden. De vraag was, hoe het zit met de uithuisplaatsing bij de gedupeerde gezinnen en het mogelijk verband van die ingrijpende maatregel met de toeslagenaffaire. Daarover wordt in het rapport van het CBS slechts opgemerkt, dat ‘is gekeken naar het totaal van alle kinderbeschermingsmaatregelen’, aangezien het aantal gevallen ‘waar hoogstwaarschijnlijk sprake is van een uithuisplaatsing (…) statistisch gezien te laag (was) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen of gedupeerden disproportioneel te maken kregen met een uithuisplaatsing van een kind.’

Daarmee is de vraag of er sprake zou kunnen zijn van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de uithuisplaatsing van kinderen dus vervangen door de vraag naar eventuele bemoeienis van de jeugdbescherming in het algemeen met gedupeerde gezinnen. Deze aanpassing van de onderzoeksvraag impliceert dat we geen cijfers krijgen over het aantal uithuisgeplaatste kinderen van wel en niet gedupeerde gezinnen. Daarmee is een vergelijking tussen beide groepen op basis van deze CBS-studie dus feitelijk onmogelijk en zijn de conclusies van de minister ongefundeerd voor wat betreft de relatie tussen de toeslagenaffaire en de uithuisplaatsing. Tegelijkertijd leidt de verschuiving van uithuisplaatsing naar ondertoezichtstelling tot al te stellige conclusies in de media en bij de betrokken instanties. Zo schreef Trouw : ‘Zijn kinderen vaker uit huis geplaatst als gevolg van de toeslagenaffaire? (…) Nee, de kans op een uithuisplaatsing is niet vergroot door die hele affaire.’

Zeker, het zal voor de minister een opluchting zijn te kunnen concluderen dat jeugdbescherming toeslagenouders niet anders heeft behandeld dan vergelijkbare gezinnen. Nuchter gezien moeten we echter vaststellen dat het allerminst duidelijk is of die conclusie wel klopt waar het de gezinnen betreft waarvan de kinderen uit huis zijn geplaatst. Op basis van dit onderzoek valt allerminst uit te sluiten dat jeugdbescherming toeslagenouders wel degelijk anders heeft behandeld.

Heeft jeugdbescherming toeslagenouders echt niet anders behandeld? (2)

17 november 2022

Heel veel mensen zagen het verkeerd, velen hadden niet de moeite hebben genomen om goed naar de beschikbare feiten te kijken. Dat stelt onderzoeksjournalist Jesse Frederik in De Correspondent: ‘Kamerleden en commentatoren (zijn) een jaar lang bevangen geweest door voorbarige en onterechte verontwaardiging. (…) Nieuws Zonder Baseline’, zo kwalificeert Frederik de opwinding in de media en de politiek over de mogelijke relatie tussen de Toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen in de gedupeerde gezinnen. ‘Waarom de feiten afwachten als je de conclusie al getrokken hebt?’, zegt hij. Frederik rekent zichzelf niet alleen tot degenen die de feiten afwachten, of het in elk geval ‘tot pagina 11 van de Volkskrant of bladzijde 12 van de NRC’ schoppen, maar ook tot de categorie die hij aanduidt als ‘statistische fijnproevers’. Toch zijn hem in zijn breedvoerige en triomfantelijke afrekening met al diegenen die met vroegtijdige conclusies in deze kwestie zouden zijn gekomen twee cruciale dingen ontgaan.

In elk geval wordt duidelijk dat hij voorbijziet aan de nieuwe pijnlijke informatie die het recente rapport van het CBS aangaande deze kwestie aan het licht heeft gebracht, namelijk het probleem van discriminatie. Zo twitterde statisticus Casper Albers die de recente CBS-studie had begeleid meteen: ‘Maar er zijn wél verschillen met de brede vergelijkingsgroep (…) Er wordt structureel en massaal gediscrimineerd, of je nu toeslagenaffaireouder bent of om een andere reden in de problemen zit. Turken worden 9x(!) zo vaak gepakt als Nederlanders. Surinamers 7,5x. Marokkanen, Antillianen, enz: 6x. Na correctie blijft er dus een statistisch bewezen gigantische hoeveelheid structureel racisme over. Als ik een Kamerlid was, zou ik vragen over dit institutioneel racisme stellen. Ik ben geen Kamerlid, maar @RenskeLeijten @PieterOmtzigt  @SylvanaBIJ1 e.a. wel. Hopelijk stelt iemand de vragen die gesteld moeten worden.’

OK, dit gaat niet over de mogelijke relatie tussen de Toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen. Maar dat er in beide gevallen sterke indicaties zijn die lijken te wijzen op discriminatie en dat de studie van het CBS ook expliciete aanwijzingen in die richting geeft, had voor Frederik, als zelfverklaard ‘statistische fijnproever’, op zijn minst aanleiding moeten zijn om zijn triomfantelijke toon te matigen of beter, geheel achterwege te laten.

Kwalijker nog is dat deze journalist die anderen de les meent te moeten lezen, omdat ze al conclusies zouden trekken voordat ze de feiten kennen, met zijn verhaal in De Correspondent blijk geeft van een elementair gebrek aan kennis van het onderwerp zelf – de jeugdbescherming. En in dat onwetend stoeien met de feiten betreffende de jeugdbescherming staat hij nou juist weer allesbehalve alleen. ‘De terugvordering van kinderopvangtoeslag veroorzaakt niet meer kinderbeschermingsmaatregelen,’ schrijft hij stellig, nog stelliger dan het door minister Weerwind is geformuleerd. Die zei dat het beeld van een mogelijk oorzakelijk verband tussen dupering en uithuisplaatsing was ‘genuanceerd’. Diverse media hebben dezelfde stellige conclusie getrokken als Frederik en die conclusie wordt keer op keer herhaald.

Maar zoals ik in mijn vorige blog schreef, ging het daar niet om. De vraag was niet of gedupeerde ouders meer of minder met kinderbeschermingsmaatregelen in het algemeen werden geconfronteerd, maar of zij disproportioneel werden getroffen door de specifieke en buitengewoon ingrijpende maatregel van de uithuisplaatsing. Vergelijk de NRC van 7 november.

Wie de CBS-studie echt zorgvuldig, met oog voor de feiten en kennis van zaken had gelezen, had deze verschuiving moeiteloos gesignaleerd. Die kritische lezer rest vooralsnog geen andere conclusie dan dat er bij de toepassing van jeugdbeschermingsmaatregelen sprake lijkt van discriminatie, maar dat het nog te vroeg is om een stellige uitspraak te doen over de vraag omtrent een mogelijk causaal verband tussen de Toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen in de gezinnen die door die affaire werden gedupeerd.

De politie-reprimande voor minderjarige first offenders

.

22 december 2022

Babyboomers staat het ongetwijfeld nog helder voor de geest: de politieman op fiets. Niet twee agenten voorovergebogen op snelle mountainbikes met felle kleuren, maar één agent op een hoge, trage, zwarte herenfiets, waarmee hij zich streng rechtop zittend voortbewoog, simpelweg vanwege het feit dat dit vehikel geen andere zithouding mogelijk maakte. Maar je zag ze wel met enige regelmaat door de buurt rijden, ook als het een ‘rustige buurt’ betrof. Werd je aangehouden, omdat je zonder licht reed, kreeg je een waarschuwing. De waarschuwing werd veel toegepast, zeker bij minderjarigen. Ook als je was aangehouden omdat je samen met vriendjes op een terrein voetbalde waar dat niet mocht, als je was gesnapt als je een paar dagen voor Oud en Nieuw samen met je buurjongen een paar rotjes had afgestoken of als je zo stom was geweest om bij de supermarkt, die in de jaren zestig aan z’n opmars begon, samen met je vriendinnetje een rolletje drop te pikken. Dan ging de politie met je mee naar huis en werd je streng toegesproken in het bijzijn van je ouders. Dat gebeurt nu nog wel een enkele keer. Maar het is de laatste decennia toch vooral uitzondering geworden in plaats van regel.

4 jaar geleden stelde journalist Toine Heijmans in de Volkskrant met een verhaal over de aanpak van zijn 13-jarige zoon de meer recente praktijk aan de kaak. Kinderen worden de laatste jaren zelfs naar aanleiding van flutdelicten overgebracht naar het bureau om daar na raadpleging van een advocaat te worden verhoord. Heijmans praatte het gedrag van zijn zoon niet goed, maar hij wees er terecht op dat 7,5 uur vastzitten voor het jatten van een pak koekjes disproportioneel is. Al jaren eerder was op deze misstand gewezen, waarbij door sommigen werd geëist dat er ‘kindvriendelijke’ politiecellen zouden komen, met bijvoorbeeld een picknicktafel, een Fatboy-zitzak en Donald Ducks. Zoals ik indertijd aangaf, wezen deze goed bedoelde suggesties in de verkeerde richting. Voor dergelijke lichte feiten dient de cel niet te worden aangepast, maar het vastzetten van kinderen te worden gestopt. Een minderjarige verdachte van een flutdelict hoort simpelweg niet in een cel, ook niet in een opgeleukte cel. Dat kind lever je thuis af met een vermaning in het bijzijn van de ouders of laat je op het bureau door de ouders ophalen, waar kind (en ouders) eveneens een vermaning van een politieagent in vol ornaat mogen incasseren.

Dat is de gedachte van het Kinderrechtenverdrag en dat was tot enkele decennia terug ook de overtuiging bij politie en openbaar ministerie. Met de sluiting van veel bureaus kinderpolitie sinds de jaren ’70 kwam de politie-waarschuwing echter onder druk te staan en dat was nog sterker het geval na de ingrijpende reorganisaties van de politie vanaf de jaren ‘90. Toch waren velen bij de politie en bij het OM niet gelukkig met deze ontwikkeling. Zo ging precies in dezelfde maand waarin Toine Heijmans met zijn publicatie in de Volkskrant voor ophef zorgde, in het district Twente een proefproject van start onder de titel ‘Betrapt! Kind niet in de cel, maar wat dan wel?’ Deze pilot heeft twee jaar later aanleiding gegeven tot een landelijke pilot ‘Politie-reprimande voor minderjarige first offenders’ die de afgelopen twee jaar in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is begeleid door onderzoek. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een unieke studie, waarin bevindingen van zowel juridische kant als van criminologische aard zijn samengebracht.

Deze studie laat zien dat het creëren van ruimte buiten het strafproces om – zonder onnodige insluiting op het politiebureau – volgens alle betrokken partijen een belangrijke meerwaarde heeft. Het  reprimandegesprek in aanwezigheid van de ouders wordt nog steeds door alle betrokkenen als een belangrijk pedagogisch instrument ervaren. Wel menen de onderzoekers dat dit, om daar optimaal invulling aan te geven, gepaard zou moeten gaan met een herwaardering van het jeugdspecialisme bij de politie. Ook laat deze studie zien dat de politie-reprimande in diverse naburige landen nog steeds volop wordt gebruikt. Bovendien geeft onderzoek naar deze aanpak elders veel aanwijzingen dat die ook tot een afname van geregistreerde recidive kan leiden.

De Minister heeft toegezegd dat hij samen met de politie, het openbaar ministerie, Halt en de advocatuur aan de slag zal gaan met de aanbevelingen uit het rapport. De verwachting is dat de politiereprimande voor minderjarigen binnenkort landelijk zal worden ingevoerd. Daarmee komt er hopelijk een eind aan een evident uit de hand gelopen praktijk. Dit zal zeker niet leiden tot terugkeer van de klassieke diender op stugge dienstfiets, maar wel tot terugkeer naar de klassieke aanpak van lichte jeugddelicten.

Stop drang in jeugdzorg

16 januari 2022

Een van de beoogde doelen van de Jeugdwet van 2015 was het aantal kinderen dat buiten het gezin opgroeit te verminderen. Sindsdien is het aantal jeugdigen dat elders, bij pleegouders, in een gezinshuis, gesloten jeugdzorg of anderszins opgroeit echter alleen maar toegenomen. In Europees perspectief bezien staat Nederland ergens in het midden. Kijken we vervolgens echter hoeveel van deze kinderen niet in een andere gezinsvorm opgroeien maar in een residentiële voorziening, dan ziet het plaatje er heel anders uit. Dan blijkt in ons land bijna de helft van deze kinderen in een residentiële voorziening op te groeien. Terwijl verreweg de meeste kinderen in Europa die niet bij hun eigen ouders wonen, opgroeien in een gezinssetting, is dat in ons land helaas nog steeds niet het geval.

Een deel van deze kinderen is in deze situatie terecht gekomen vanwege een uithuisplaatsing. Dan heeft de kinderrechter op grond van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming besloten dat het kind in diens belang elders moet worden opgevoed en verzorgd. Één van de pijnlijke zaken die met de Toeslagenaffaire aan het licht zijn gekomen betreft het feit dat hiervan tot op heden geen aparte administratie is bijgehouden. Zo mogelijk nog pijnlijker is echter, dat situaties waarin een kind uit huis is geplaatst zónder een formeel door de rechter uitgesproken jeugdbeschermingsmaatregel helemaal buiten beeld blijven. In een recente publicatie over deze materie stelt het Nederlands Jeugdinstituut ten onrechte dat in ons land “een onvrijwillige uithuisplaatsing niet mogelijk (is) zonder een rechterlijke uitspraak”. Feit is echter dat een dergelijke situatie in ons land helaas wel degelijk en zelfs nog steeds mogelijk is. En dat heeft ironisch genoeg juist te maken met de herziening van de Jeugdwet in 2015, waar dit blog mee begon. 

Voordien was er een duidelijk onderscheid tussen vrijwillige en gedwongen jeugdzorg. Uithuisplaatsing van kinderen zonder instemming van de ouders was uitsluitend mogelijk op grond van een rechterlijke beslissing. De invoering van de Jeugdwet ging echter gepaard met de creatie van een onduidelijk tussengebied tussen vrijwillige en gedwongen zorg, aangeduid met de term ‘drang’. Drang in de jeugdzorg betekent dat wordt vertrouwd op het oordeel van het wijkteam, de jeugdbeschermer, ‘gezinscoach’ of ‘regisseur’ die meent dat gedwongen jeugdzorg geboden is, zonder dat daar het oordeel van een onafhankelijk rechter aan te pas komt en zonder dat ouders en kinderen adequate rechtsbescherming, informatie en rechtsbijstand wordt geboden. Drang heeft geen wettelijke basis. In de praktijk is drang ingezet als dwang buiten de rechter om. 

Deze aanpak heeft gezorgd voor sterk toegenomen rechtsonzekerheid bij ouders en kinderen. Dit ondanks de al langer bestaande zorgen bij de advocatuur (Brandbrief, 2008) en de rechterlijke macht en ondanks meerdere kritische inspectierapporten over de gebrekkige rechtsbescherming op dit gebied. Al ruim voor de invoering van de Jeugdwet werd uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de te voorziene gevaren (zie onder meer NJB 2013/2407) en kort na de invoering verschenen diverse kritische artikelen over deze praktijk, onder meer van de hand van jeugdrechtadvocaat Reinier Feiner en oud-kinderrechter Nanneke Quik-Schuit (FJR 2015, 51).  

Door de voorstanders werden deze bezwaren echter steeds botweg afgedaan als ‘angst voor vernieuwing’ en ‘ouderwets’. Zo zei Erik Gerritsen, toentertijd directeur van Bureau Jeugdzorg Amsterdam en van 2015 tot 2021 hoogste baas op het ministerie van VWS, in een discussie met mij: ‘Deze hoogleraar heeft een hele ouderwetse opvatting van jeugdbescherming; het gaat juist steeds meer om drang en het voorkomen van dwang. Praat met onze klanten en die zullen zeggen: “Waar heeft die man het over? Die hele rechtsbescherming heb ik niet nodig, ik werk gewoon met een prettige gezinsmanager”.’ 

Na een reeks kritische publicaties over deze praktijk in de daaropvolgende jaren, onder meer van de kinderombudsman Rotterdam brachten de RSJ en de RVS eind 2019 een gezamelijk rapport uit dat op de site van binnenlands bestuur werd aangekondigd onder de veelzeggende titel Drang jeugdzorg moet in de ban. Centraal in dit rapport stond het feit dat ‘drang’, onder jarenlange aanmoediging van het ministerie van VWS, ondanks alle kritiek was uitgegroeid tot een zelfstandige praktijk met een sterk dwang-karakter. Bijna alle gemeenten bleken ‘drang’ inmiddels zelfs in te kopen als apart ‘jeugdzorgproduct’! Het rapport bepleitte terugkeer naar een voor alle betrokkenen helder onderscheid tussen (meer of minder intensieve) vrijwillige hulp en dwang. 

In de beleidsreactie van de verantwoordelijke ministers van Justitie en Veiligheid en VWS begin 2020 werd deze aanbeveling ‘waardevol’ genoemd en werd het belang hiervan onderschreven. Echter, zoals we dat ook wel op andere beleidsterreinen zien, leidde dit niet tot bijsturing vanuit Den Haag. De invulling hiervan werd overgelaten aan het veld. Eind vorig jaar verscheen een proefschrift over de ontwikkeling van de drangaanpak in de praktijk. Als daarin één ding duidelijk naar voren komt, dan is het wel dat er volstrekt geen zicht is op de uithuisplaatsingen die in de afgelopen jaren binnen het drangkader hebben plaatsgevonden, niet op de onderbouwing, de duur, de plaats waar de uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden noch op het aantal. Bovendien laat de studie zien dat drang een rol heeft gespeeld bij uithuisplaatsingen bij gedupeerden van de Toeslagenaffaire. De kans is dus groot dat de situatie in ons land op dit punt, ook in vergelijking met de ons omringende landen, nog treuriger is dan tot voor kort werd gedacht. Kortom, alle reden voor de politiek om niet langer toe te kijken, maar in te grijpen en definitief een eind te maken aan de praktijk van ‘drang’ in de jeugdzorg.