Heeft jeugdbescherming toeslagenouders echt niet anders behandeld?

In zijn Kamerbrief over uithuisplaatsingen en kinderopvangtoeslag van 1 november verwijst minister Weerwind naar recent onderzoek van het CBS. Hij concludeert: ‘Er is geen sprake van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de jeugdbescherming: gedupeerde ouders kregen niet vaker dan vergelijkbare gezinnen te maken met een kinderbeschermingsmaatregel.’

Vervolgens is deze redenering in diverse media herhaald. Zo schrijft De Volkskrant op 1 november dat het beeld dat kinderen uit huis zijn geplaatst omdat hun ouders slachtoffer waren van de toeslagenaffaire nu is genuanceerd. Drie dagen later wordt dit in dezelfde krant herhaald en wordt een woordvoerder van Jeugdzorg Nederland geciteerd, die stelt: ‘Nu is scherper wat feit is en wat fictie.’ Helaas moet echter worden geconstateerd dat met deze berichtgeving het onderscheid tussen feit en fictie allerminst scherper is geworden.

Feit is namelijk dat hier twee zaken door elkaar worden gehaald: bemoeienis van de jeugdbescherming met het gezin in de vorm van een ondertoezichtstelling en in de vorm van uithuisplaatsing. Dat laatste is uiteraard een voor alle betrokkenen veel zwaardere ingreep. In de voorstelling van zaken door de minister (in navolging van het CBS en de inspectie) gaat het over bemoeienis van de jeugdbescherming in het algemeen. Maar dat was niet de vraag waar de Kamer en de gedupeerde ouders een antwoord op wilden. De vraag was, hoe het zit met de uithuisplaatsing bij de gedupeerde gezinnen en het mogelijk verband van die ingrijpende maatregel met de toeslagenaffaire. Daarover wordt in het rapport van het CBS slechts opgemerkt, dat ‘is gekeken naar het totaal van alle kinderbeschermingsmaatregelen’, aangezien het aantal gevallen ‘waar hoogstwaarschijnlijk sprake is van een uithuisplaatsing (…) statistisch gezien te laag (was) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen of gedupeerden disproportioneel te maken kregen met een uithuisplaatsing van een kind.’

Daarmee is de vraag of er sprake zou kunnen zijn van directe doorwerking van de toeslagenaffaire in de uithuisplaatsing van kinderen dus vervangen door de vraag naar eventuele bemoeienis van de jeugdbescherming in het algemeen met gedupeerde gezinnen. Deze aanpassing van de onderzoeksvraag impliceert dat we geen cijfers krijgen over het aantal uithuisgeplaatste kinderen van wel en niet gedupeerde gezinnen. Daarmee is een vergelijking tussen beide groepen op basis van deze CBS-studie dus feitelijk onmogelijk en zijn de conclusies van de minister ongefundeerd voor wat betreft de relatie tussen de toeslagenaffaire en de uithuisplaatsing. Tegelijkertijd leidt de verschuiving van uithuisplaatsing naar ondertoezichtstelling tot al te stellige conclusies in de media en bij de betrokken instanties. Zo schreef Trouw : ‘Zijn kinderen vaker uit huis geplaatst als gevolg van de toeslagenaffaire? (…) Nee, de kans op een uithuisplaatsing is niet vergroot door die hele affaire.’

Zeker, het zal voor de minister een opluchting zijn te kunnen concluderen dat jeugdbescherming toeslagenouders niet anders heeft behandeld dan vergelijkbare gezinnen. Nuchter gezien moeten we echter vaststellen dat het allerminst duidelijk is of die conclusie wel klopt waar het de gezinnen betreft waarvan de kinderen uit huis zijn geplaatst. Op basis van dit onderzoek valt allerminst uit te sluiten dat jeugdbescherming toeslagenouders wel degelijk anders heeft behandeld.

Ido Weijers, 7 november 2022